Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-11-2018

Omhoog

betekenis & definitie

omhoog, bw. van plaats : op een zeker punt of binnen zekere ruimte in de hoogte; vooral ter aanduiding eener onbepaalde plaats in het luchtruim of aan het uitspansel; naar omhoog, naar de hoogte, naar boven, opwaarts;

— van omhoog, van uit de hoogte, van boven neder;
— (in ’t bijz.) in den hemel, als de zetel der Godheid beschouwd; naar omhoog, naar hooger sferen, naar den hemel; (Zuidn.) te veel naar omhoog zien, te veel drinken;
— van omhoog, uit hooger sferen, uit den hemel;
— zegen, gunsten enz. van omhoog, zegen Gods, gunsten van God enz.;
— bw. van richting : naar de hoogte, naar boven, opwaarts; (in ’t bijz.) naar den hemel. (Omhoog vormt met eene menigte werkwoorden scheidbare samenstellingen, waarvan alleen de voornaamste hier opgenomen zijn).