Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 27-09-2018

2018-09-27

Ombrengen

betekenis & definitie

Ombrengen (bracht om, heeft omgebracht), veel, (wat, vrij wat enz.) met iem. ombrengen, een veelal treurigen tijd met hem doorbrengen, veel moeite en zorg van hem ondervinden; hoe zullen wij dien tijd ombrengen, doorbrengen, omkrijgen;

— (Zuidn.) den avond pleizierig ombrengen;
— naar de rij af brengen of bezorgen bij elk der personen die samen eene vereeniging, een gezelschap enz. uitmaken: zijn de briefjes voor de vergadering al omgebracht?; (scheepst.) omwenden: breng het schip om;
— om het leven brengen, van het leven berooven: de bezetting van Haarlem werd voor de helft door beulshanden omgebracht. OMBRENGING, v. het om- of rondbrengen.