Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 14-11-2017

aanbrengen

betekenis & definitie

Aanbrengen - (bracht aan, heeft aangebracht), naar een aangewezen plaats brengen (de wijze hoe is onbepaald); meebrengen ten huwelijk; plaatsen, toevoegen, vervaardigen (afgewerkte stukken, versieringen enz.); maken (veranderingen); fig. in volgende beteekenissen: verschaffen, veroorzaken, berokkenen (geluk, genot, nut, onheil, ellende enz.), de derde man brengt de spraak aan; (persoonlijk of eigenhandig) brengen tot, melden aan (mare, bericht, tijding); - iets kwaads van een ander aan een meerdere aanbrengen, verklikken;

- iem. bij de politie aanbrengen, aanklagen; - iem. (iets) bij het gerecht aanbrengen, bekendmaken, aanklagen; - (gew). wij hebben het voor vandaag aangebracht, de reis aanbrengen, ten einde brengen; - leerlingen aanbrengen, met gevolg voorbereiden voor een andere school; - vrijwilligers bij het leger of de marine aanbrengen, hen vergezellen bij het aangaan eener verbintenis om daarvoor eene belooning te ontvangen; - nieuwe leden bij eene verzekeringsmaatschappij aanbrengen, tot toetreding overhalen; - een hond aanbrengen, opleiden en africhten tot eene bepaalde jacht.