Negen betekenis & definitie

telw. (hoofdgetal); ’t heeft de waarde van een ranggetaal in : hoofdstuk IX; Karel IX; het is gebeurd in het jaar negen; negen December; — NEGENEN, het telw. NEGEN, beschouwd als een zelfstandig gebruikt bn. in het meerv.: negen personen: een gezelschap van negenen; deelt dit onder u negenen; zij warm met hun negenen; we zijn met zijn (ons) negenen; negen deelen van hetzelfde geheel: iets in negenen breken; negen uren : het is bij negenen, negen achtereenvolgende malen : hij deed het in negenen; ik geef het u in negenen te doen; — — v. (-s), het cijfer, het getal negen: eene Arabische negen (9); eene Romeinsche negen (IX); (fig.) de negen zusters, de zanggodinnen, de Muzen; (kaartsp.) eene kaart met negen eenheden : de negen van harten; — (Zuidn.) in de goei negen gevallen zijn, met iets goed geslaagd zijn. NEGENTJE, o. (-s).