Naakt (1) betekenis & definitie

Naakt bn. bw. (-er, -st), ontbloot van alle bedekking, zonder kleederen (van het lichaam): (bijb.) ik was naakt en gij hebt mij gekleed; hij had geen kleeren om het naakte lijf te bedekken; studies naar het naakt model; — (fig.) iem. naakt uitschudden, uitkleeden, hem van alles berooven; — naakt en bloot, arm en behoeftig; — zonder bekleeding, onbedekt, onbeschut, onbegroeid: naakte slakken, naakte weekdieren, slakken, weekdieren zonder schelp; — naakte rotsen, zonder plantengroei; — een naakt veld, zonder gras; — zonder versiering, ledig: naakte muren; hoe ongezellig in zoo’n naakte kamer; de gevel van dat gebouw is te naakt; — (fig.) openbaar; alle dingen zijn naakt voor God; — zonder versiering, niets meer dan: de naakte waarheid; de naakte voorstelling der feiten. NAAKTELIJK, bw. (w. g.), onbewimpeld, ronduit.

Laatst bijgewerkt 27-09-2018