Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 27-09-2018

2018-09-27

Meubel

betekenis & definitie

Meubel o. (-s, -en), stuk huisraad: de meubels staan nog niet op hunne plaats; (fig.) een onnut, lastig meubel, een nutteloos, lastig mensch. MEUBELTJE, o. (-s).