Wat is de betekenis van meubel?

2020
2021-06-21
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

meubel

(19e eeuw) (meestal voorafgegaan door 'lastig') ongemakkelijk, knorrig of lastig persoon. Vroeger zei men ook: 'een moeilijke pispot' (o.a. in het werk van Huygens). • Xantippe, die ... als een heel lastig meubel uitgekreten wordt. (A. Fokke Simonsz.: Verza-meling der Werken van A. Fokke Simonsz. 12 dln. 1830-1835) • Jufvrouw broes, je b...

Lees verder
2019
2021-06-21
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

meubel

meubel - Zelfstandignaamwoord 1. een voorwerp dat behoort tot de inrichting van een kamer, zoals een bank, stoel, tafel, kast, bed et cetera Er stonden zo veel meubels in de winkel dat hij niet wist welke hij moest uitzoeken. meubel - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud te...

Lees verder
2018
2021-06-21
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

meubel

meubel - zelfstandig naamwoord uitspraak: meu-bel 1. voorwerp voor in de huiskamer ♢stoelen en tafels zijn meubelen Zelfstandig naamwoord: meu-bel het meubel de meubels of -en ...

Lees verder
2007
2021-06-21
Scheldwoordenboek

Geschreven door Marc de Coster © 2007

Meubel

(meestal voorafgegaan door lastig) ongemakkelijk, knorrig of lastig persoon. Vroeger zei men ook: een moeilijke pispot (o.a. in het werk van Huygens). Xantippe, die als een heel lastig meubel uitgekreten wordt. (A. Fokke Simonsz., Verzameling der Werken van A. Fokke Simonsz. 12 dln, 1830-1835) ‘Je rekent dus de doven zo'n beetje onder d...

Lees verder
1973
2021-06-21
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

meubel

[➝Lat. mobilis, verplaatsbaar], o. (-en, -s), 1. stuk huisraad, speciaal voor de inrichting van een vertrek en doorgaans van hout of staal vervaardigd (e); 2. (fig.) persoon: het is zon lastig -, lastig persoon. (e) OUDHEID. In het algemeen had men zowel bij de oude Egyptenaren, Assyriërs, Grieken, Romeinen, als bij de Etruriërs hetzel...

Lees verder
1952
2021-06-21
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Meubel

s.n., meubel (it), stik húsrie (it).

1950
2021-06-21
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Meubel

(<Fr.), o. (-s, -en), 1. stuk huisraad, inz. dienende tot het stofferen van een vertrek (tafel, stoel, kast, bed enz.): de meubels staan nog niet op hun plaats; 2. (fig.) persoon (in zijn betr. tot anderen): een onnut, lastig meubel.

Lees verder
1949
2021-06-21
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Meubel

(Fr. meuble, van Lat. beweeglijk), huisraad voor gebruik en/of versiering, door de eeuwen aan stijl (meubelstijl) onderhevig. Oud-Egypte kende slanke vormen van stoelen, doodsbedden, kisten; de antieke Gr. en Rom. beschaving liet slechts weinig (marmeren tafels, bronzen stoelen, houten ligbanken) na. De Middeleeuwen brengen met voorstellingen verlu...

Lees verder
1933
2021-06-21
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Meubel

(zie pl.; vgl. den index in kol. 831/832). I. Een m. is een gebruiksvoorwerp, dat behoort tot de uitrusting van een voor menschelijk verblijf bestemd gebouw, doch constructief geen deel van dat gebouw uitmaakt. In overeenstemming met deze laatste voorwaarde is het m. gewoonlijk verplaatsbaar (mobiel). Naar hun bestemming laten de m. zich in hoofdza...

Lees verder
1898
2021-06-21
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Meubel

Meubel o. (-s, -en), stuk huisraad: de meubels staan nog niet op hunne plaats; (fig.) een onnut, lastig meubel, een nutteloos, lastig mensch. MEUBELTJE, o. (-s).