Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 19-09-2018

Lastig

betekenis & definitie

Lastig bn. bw. (-er, -st), moeilijk, bezwaarlijk een lastig examen, dat zal lastig gaan.

hinderend, onaangenaam; vermoeiend; vervelend;
— lastig vallen, tot last zijn, overlast doen, hinderen: iem. om iets lastig vallen, gestadig en met aandrang iets van hem verzoeken;
— een lastige gast, rustverstoorder, onruststoker;
— een lastig kind, een kind, dat zijne moeder geen oogenblik rust laat;
— een lastige jongen, die last, moeite veroorzaakt, inz. door een onhebbelijk gedrag. LASTIGHEID, v. overlast.