Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

WERKTUIG

betekenis & definitie

WERKTUIG, o. (-en), gereedschap : zaag, beitel, schaaf enz. zijn de werktuigen van den timmerman; instrument: natuurkundige werktuigen; machine : eene naaimachine is een kunstig werktuig;

orgaan; de gezamenlijke werktuigen van den reuk; (lig.) zaak of persoon die tot verrichting van iets dient: hij tvas het werktuig van zijne wraak;
— (fig.) iem. van wien men alles gedaan kan krijgen : hij is uw werktuig, gij hebt geheel over hem te beschikken.