KLIEK, v. (-en), aaneengesloten bende die elkander aanhangen, voorspreken en bevoordeelen; zij vormen daar eene kliek waartegen geen redeneeren baat; hofkliek, de eene coterie vormende hovelingen en hun aanhangers; ’t is daar eene kliek, een rommel; eene bende; overgeschoten aardappels en groente met specerijen gemengd opgestoofd wij zullen daarvan een kliekje maken;
— overschot van een of anderen maaltijd er is een lekker kliekje hutspot voor vanavond;
— geen klieken maken, je moet je bord leegeten restant in ‘t algemeen er is nog een kliekje wijn in de flesch; (gemeenz.) dat kost eene kliek geld, eene bom duiten, veel geld; eene kliek menschen, veel menschen. KLIEKJE, o. (-s).