Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Halzen

betekenis & definitie

HALZEN, (halsde, heeft gehalsd), (gew.) slikken, inzwelgen: hij at zooveel als hij halzen kon; het regent zoo, dat de goot het niet kan halzen;

— (fig.) hij krijgt zooveel bezigheden, dat hij het niet halzen kan;
— (vandaar) tobben, moeite doen, wurmen wij hebben er lang genoeg over gehalsd;
— (zeew.) voor den wind doen wenden: laten we het schip halzen, we kunnen het met dien storm toch niet door den wind krijgen;
— (Zuidn.) (wev.) het optrekken van een boord der keten bij het opboomen. '