Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Goot

betekenis & definitie

v. (goten), (gew.) GEUT, (-en), het gieten: (metaalw.) open goot, het gieten in open vormen;

— besloten of dichte goot, het gieten in vormkasten;
— holle goot, het gieten om een kern
— een houten of gemetseld afvoerkanaal voor water of vloeibaar vuil, (ook) riool: eene goot in de straat;
— (zegsw.) zoo leef ik alle dagen, zei dronken Maarten, en hij lag in de goot;
— het zal regenen, want de goot stinkt (volksweerkunde);
— hij is uit de goot opgeraapt, van zeer geringe afkomst;
— jij hebt mij niet in de goot gevonden, je behoeft mij niet zoo minachtend toe te spreken, te behandelen;
— iem. door de goot halen, sleuren, hem op lage wijze belasteren, kwaad van hem spreken;
— een kanaal langs het dak van een huis om het hemelwater op te vangen, dakgoot: de goot is verstopt, loopt over; eene Keulsche goot, die binnendoor over de bintbalken loopt, b.v. om het water van de goot van de eene zijde van het huis naar die aan de andere te brengen;
— ‘t loopt niet altijd door een gootje, ’t gaat niet altijd even gemakkelijk;
— ’t gaat er niet altijd door een gootje, men leeft daar niet altijd in vrede;
— zoo loopen de gootjes als het regent, zoo gaat het met zulk eene zaak in zulke omstandigheden;
— houten afvoerkanaal aan verschillende werktuigen (aan een tonmolen, bij de papierfabricage, stijfselmakerij enz.);
— gootvormige bak. waarlangs men iets naar beneden laat glijden: puin langs eene goot in eene schuit laden;
— gegraven geul in den grond groene goten. greppels in begroeiden grond (in tegenst. met slijkgoten in kwelders);
— vaargeul: de Goot (een der monden van den IJsel);
— uitholling, gleuf: de goot eener sabelkling;
— (boekb.) het gootje, gleufje tusschen het bord en den rug van een boek;
— holle buis, gootpijp, spijer (aan de daken van kerken en torens). GOOTJE, o. (-s).