Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Haal

betekenis & definitie

Het begrip haal heeft 4 verschillende betekenissen:

1. haal - HAAL, v. en o. (halen), heugel, ijzeren haak met ketting waaraan de ketel boven het vuur hangt kort de haal wat in de pot hangt te dicht op het vuur;
— zoo zwart als een haal, zoo zwart als roet.

2. haal - HAAL, m. (halen), de daad van halen, trekken mannen van den haal, de visschers belast met het inhalen van de beug; een haal met de zaag; met een flinken haal trok hij het schip aan den wal; de haal was te sterk en het touw brak; nog een haaltje en we zijn er, nog een ruk;
— eene sigarette in een paar halen oprooken; hij dronk het glas in één haal leeg, in ééne teug;
— aan den haal gaan (of zijn), op den loop gaan (of zijn); (gemeenz.) een slag met een touw, een stok enz. hij gaf hem een haal;
— (met de schrijfpen) een trek hij schrijft met dikke halen; hij maakt een mooien haal aan zijn hoofdletters; ophaal, neerhaal.

3. haal - HAAL, m. nageboorte bij eene merrie.

4. haal - HAAL, bn. (gew.) droog, dor: een hale wind, een schrale wind.