Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Grief

betekenis & definitie

GRIEF, GRIEVE, v. (grieven), (thans ongewoon) leed, kommer bezint eer gij begint; de grieve volgt de grap;

— smartelijke ervaring, kwelling, ergernis het gedrag van zijn zoon is hem eene dagelijksche grief;
— krenking, beleediging van iemands teederste gevoelens het verkoopen der voorvaderlijke bezittingen was de hardste grief zijne eerzucht aangedaan;
— bezwaar dat men tegen iets heeft: dit zijn mijne voornaamste grieven tegen het voorstel;
— reden tot misnoegdheid of ontevredenheid: de inwoners verzochten om herstel van grieven, om wegneming daarvan zij hadden rechtmatige grieven tegen den landheer; wezenlijke en vermeende grieven;
— eene persoonlijke grief, grond van persoonlijken tegenzin of wrok;
— iem. eene grief van iets maken, het hem ten kwade duiden, verwijten;
— rimpel, vore de gelatenheid, waarmede zij haar lot droeg, had de grieven der smart van haar gelaat weggevaagd. GRIEPJE, o. (-s).