Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 14-03-2020

Eer

betekenis & definitie

Het begrip eer heeft 2 verschillende betekenissen:

1. eer - EER, bw. vroeger, eerder hij was er eer dan ik; hoe eer, hoe liever; hoe eerder, dat is beter;
— veeleer zijn vader is eer arm dan rijk, hij is volstrekt niet rijk,
— liever ik zou dat nog eer doen;
— bw. voegw. voordat, alvorens: ik wou liever, eer ik dat deed; eer evenredige vertegenwoordiging er is, moet er nog heel wat water door den Rijn loopen.

2. eer - EER, v. (ook EERE) achting die men geniet, om zijn moed, zijne deugden, zijne talenten (zijn roem., aanzien): iem. in zijne eer herstellen; tot eere komen;
— iem. in eere houden, hem achten, (ook) hem erkentelijk zijn;
— (bij uitbr.) een dag, een gebruik in eere houden, blijven vieren, blijven volgen;
— iemands eer te na komen, de achting, die hij geniet, trachten te verminderen;
— (ook) dat komt mijne eer te na, zoo’n daad reken ik beneden mij;
— iets op zijne eer verzekeren, zijne eer als ’t ware tot onderpand stellen
— op mijne eer (op) mijn woord van eerl
— er is geene eer aan te behalen, gezegd van een lastigen jongen een ondankbaar mensch, een werk dat niet vlotten wil ;
— eer met iets inleggen, er lof door verwerven;
— geene eer van iets hebben, geene voldoening (door erkenning van anderen);
— de eer aan zich houden, zelf bedanken, eer men bedankt wordt;
— zijne eer ophouden, zijn goeden naam handhaven; die rijders hebben de eer van Nederland opgehouden;
— _ datgene wat iem. eer verschaft; ik reken het mij tot eene eer, nooit voor iemand gekropen te hebben;
— eene halve seconde eerder aan te komen is eene groote eer; dat strekt u niet tot eer;
— de man is de eer van het huis, geeft het gezin aanzien, stand;
— die daad doet uw hart eer aan, is een bewijs van uw goed hart;
— dat is geen doen met eere, dat is niet te doen, zonder zijne eer te kort te doen, (ook) dat is geene fatsoenlijke manier van doen;
— zich met eere van eene opdracht kwijten, zoo dat men er eer mee behaalt; (in beperkter beteekenis) wat iem. als lid der maatschappij (van zijn stand) doet achten, zonder dat hij zich nog onderscheidt: wie dronken langs de straat loopt, gooit zijne eer te grabbel;
— arm met eere, kan niemand deren, eerlijk arm is geene schande;«
— koopmanseer, krijgsmanseer;
— wat als passend (fatsoenlijk enz.) beschouwd wordt: ’s lands wijs, 's lands eer;
— met God en met eere door de wereld komen, zijne kinderen groot brengen;
— de eer is bewaard, ‘t geld bespaard, gezegd wanneer men iem. welstaanshalve heeft uitgenoodigd en deze bedankt, (scherts.) wanneer iets niet is geschied wat men zich had voorgenomen:
— in alle eer en deugd een deuntje vrijen; een kus in eere kan niemand deren;
— ik ben er met eere af, ik ben blij dat ik er af ben (van eene verplichting enz.);
— kuischheid, ongereptheid van een meisje, huwelijkstrouw der vrouw (als zaken waarom zij geëerd worden): een meisje hare eer ontnemen, haar schenden; zij is hare eer kwijt;
— _ uiterlijke bewijzen van achting, hulde, vereering den overwinnaar alle eer bewijzen, geven; iem. met eer overladen; eere, wien eere toekomt; eere zij God !; iem. de laatste eer bewijzen, zijne begrafenis bijwonen;
— met militaire eer begraven worden, met het ceremonieel dat voor de begrafenis van militairen is vastgesteld (muziek, saluutschoten en .);
— hij is op ’t veld (het bed) van eer gevallen, in den strijd (ook fig.);
— (scherts.) de tafel eer aandoen, de noodige eer bewijzen, goed eten;
— zulk eene moeilijke opdracht is eene groote eer, onderscheiding (waaruit de achting blijkt);
— der kinderen eer is de kroon der ouders;
— (Zuidn.) (ook) de schoonheid, luister van voorwerpen (meubelen, kleeren);
— (als beleefdheidsvorm) met wien heb ik de eer (te spreken); ik heb de eer u te melden; het zal me eene eer zijn...;
— begrippen omtrent hetgeen eer verschaft: militairen houden er soms eene wonderlijke eer op na;
— kinderen hebben ook hunne eer, hunne zaken, die ze als eervol beschouwen;
— een punt, eene kwestie van eer;
— gevoel voor het aangename van achting, enz., en ’t streven om die te verkrijgen op de eer werken; een beroep doen op iemands eer (beter eergevoel);
— voor de eer der zotten, gezegd van eene dwaze, onverstandige handelwijze.