Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

Grap

betekenis & definitie

GRAP, v. (-pen), malle gril, kuur we zullen je die grappen wel afieeren;

— een snaaksch gezegde, een kwinkslag hij zocht er zich met eene grap van af te maken; gij moet het zoo hoog niet opnemen, ’t was maar een grapje, er werd niets kwetsends mee bedoeld;
— iets vermakelijks dat is lang geen grap, daar valt niet mede te spotten, ‘t is hooge ernst;
— een guitenstreek grappen uithalen;
— eene grap met iemand hebben, hem tot voorwerp maken van eene onschuldige fopperij;
— eene flauwe grap;
— uiting van vroolijkheid of dartelheid, pots: hij zit vol grappen; grapjes maken met de kinderen, met hen stoeien en schertsen; de grappen en geestigheden van een paljas;
— een vermakelijk voorval, iets geks ge zult er grappen van beleven, vermakelijke, malle dingen van ondervinden, (ook) allesbehalve aangename ondervindingen opdoen;
— plagerij, onhebbelijk gedrag schei nu uit met die grappen; -
— een geval, geschiedenis die grap is me duur te staan gekomen;
— dat is eene mooie grap, eene onaangename historie;
— iets dat men op het oogenblik niet kan of wil noemen wil je niet nog een taartje ? wel ja, geef mij nog zoo'n grapje;
— geslachtsdeel, ding, gevalletje: zij lag met haar heele grapje bloot;
— dat wat iets voor iemand aantrekkelijk, pleizierig maakt, de aardigheid als hij niet meegaat, is er voor mij de grap af;
— uit (of voor) de grap, uit kortswijl, zonder ernstige bedoeling, voor de aardigheid; ik zei het maar uit de grap; laten we ons voor de grap verkleeden. GRAPJE, o. (-s).