Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Gribes

betekenis & definitie

GRIBES, GRIBUS, v. (-sen), (gemeenz.) bouwvallig of onooglijk verblijf hij woont in eene gribus; (ook) slecht huis, hoerenkast; (ook) gevangenis, cachot in de gribus zitten; (ook) beruchte buurt dat is de gribus van Den Haag; (ook) douw maar in de gribes, pak het maar in, snaai het maar (van onbeheerd goed, waar toch geen haan naar kraait).