Gretig
bn. bw. (-er, -st), graag, begerig, belust: een vorst, zo eerzuchtig, zo gretig naar macht; gretige toehoorders; met een gretig oor toeluisteren; — (bw.) op gretige wijze: hij tastte gretig toe, at met gretigheid : hij greep de hem aangeboden gelegenheid gretig aan, met begerige ijver ; het boek werd gretig gekocht...