Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Gracht

betekenis & definitie

GRACHT, v. (-en), uitgraving in den grond: (bijb.) indien nu de blinde eenen blinde leidt, zoo zullen zij beiden in de gracht vallen;

— (Zuidn.) geen twee grachten tegelijk springen, niet dom zijn, uit zijne oogen zien;
— met water gevuld kanaal, verbindings-, spuikanaal;
— ringkanaal rondom eene sterkte, eene vesting enz. als verdedigingsmiddel natte en droge (of doove) grachten;
— kanaal om of door eene stad Amsterdam is van grachten doorsneden;
— (ook) de straat langs de gracht: een grachtje omgaan, een straatje omloopen, eene kleine wandeling doen;
— (ook) de bewoners eener gracht: de geheele gracht liep uit;
— (ook) (te Amsterdam) gedeelte van eene der hoofdgrachten, tusschen twee dwarsstraten of bruggen in: hij woont nog eene gracht verder;
— (gew. en Zuidn.) sloot in het land, tot afscheiding of tot ontwatering;
— dat is van den oever in de gracht, minder gebruikelijk dan: van den wal in de sloot. GRACHTJE, o. (-s).