Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

Blinde

betekenis & definitie

BLINDE, rr. en v. (-n), die blind is;

— (spr.) hij oordeelt als een blinde over de kleuren, zijn oordeel is valsch of verkeerd;
— in ‘t land der blinden is éénoog koning, onder domme menschen wordt hij die iets meer weet dan de anderen, allicht voor zeer kundig gehouden;
— hij slaat ernaar als ten blinde naar het ei, hij raadt ernaar, hij oordeelt er zeer dwaas over;
— een blinde schiet soms wel eens eene kraai, een niet-deskundige kan soms zeer juiste opmerkingen maken;
— (whistspel) de 13 kaarten die, wanneer 3 personen in plaats van 4 spelen, door één hunner tegelijk met zijn eigen kaarten bespeeld worden met een blinde spelen.