Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Godskind

betekenis & definitie

GODSKIND, o. het kind Jezus, Gods Zoon als kind; (R. K.) iem. die als kind reeds voor een klooster bestemd is of daarin werd opgenomen; (Zuidn.) iem. die zich om zijne deugdzaamheid en goedheid beminnelijk maakt: dat dochtertje is een godskind;

— (ook) *t is een godskind. hij is onnoozel, simpel;
...KRACHT, v. (-en), goddelijke kracht-, goddelijk vermogen;
...LAM, o symbolisch lam op den rug van een kazuifel;
...LAMP, v. (R. K.) altijdbrandende lamp voor het altaar.