Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Glazig

betekenis & definitie

GLAZIG, bn. (-er, -st), op glas gelijkende, glasachtig; (van oogen) strak, wezenloos de dood staarde uit zijn glazig oog;

— (van aardappelen) doorschijnend en hard als aardappelen doorwassen, worden ze glazig en oneetbaar. GLAZIGHEID, v.