Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-11-2018

2018-11-01

Oog

betekenis & definitie

o. (-en), het gezichtsorgaan, hetzij de oogbol in zijn geheel, hetzij meer bepaald dat gedeelte er van dat van buiten zichtbaar is : goede, slechte, zwakke oogen; het rechter, het linker oog; het bloote, het gewapend, het ongewapend oog;

— een glazen oog, een kunstoog;
— de appel, het wit van het oog;
— iem. beminnen als het licht zijner oogen, in hooge mate beminnen;
— in schemeravond te lezen is niet goed voor de oogen;
— ziender oogen, zoo dat men kan zien waarvan sprake is; zoo ver mijn oogen dragen konden;
— (spr.) iem. de oogen uitsteken, oudtijds zekere strafoefening, (fig.) iem. verblinden door een hartstocht in hem gaande te maken, inz. met betrekking tot afgunst;
— dat steekt hem de oogen uit, hij verlangt vurig het te hebben ;
— iem. de oogen verblinden, hem blind maken voor de waarheid ;
— iem. in de oogen schijnen, in de oogen steken, (fig.) iem. hinderlijk zijn, hem ergeren ;
— in het. oog vallen, in het oog springen, de aandacht treffen ;
— in iemands oog, naar zijne opvatting ;
— een doom in het oog zijn, bij voortduring ergernis veroorzaken;
— de schellen vallen iem. van de oogen, de verblinding houdt op, hij ziet thans duidelijk in wat hij te voren niet begreep ;
— onder vier oogen, zonder het bijzijn van een derde, in vertrouwen ;
— geen hand voor oogen (kunnen) zien, volstrekt niets;
— niet uit zijn oogen (kunnen) zien van hoofdpijn, enz. geweldige hoofdpijn hebben;
— iem. zand in de oogen strooien, hem om den tuin leiden, hem foppen ;
— iem. een rad voor de oogen draaien, hem misleiden ;
— uit, door, met eigen oogen zien, eene eigen meening hebben, zelfstandig oordeelen;
— zich de oogen uitkijken aan iets, zich aan het gezicht van iets niet kunnen verzadigen;
— zich de oogen uit het hoofd schamen, zoo dat men zijn oogen niet meer durft opslaan;
— groen en geel voor de oogen worden, zie geel;
— heb je geen oogen in je hoofd, tot iem. die niet goed uitkijkt;
— zijn oogen in zijn zak steken, ze niet gebruiken;
— iem. het licht in de oogen niet gunnen, hem zelfs het geringste misgunnen;
— zijne oogen zijn grooter dan zijn buik (maag), niet bij machte zijn zooveel te eten als men dacht;
— voor iets geen oog hebben, er niets voor gevoelen;
— geheel oog zijn voor iets, er al zijn aandacht aan wijden;
— de eene kraai pikt de andere de oogen niet uit, de boozen sparen elkander;
— oog om oog en tand om tand, vgl. Exod. 21, 24, streng recht van wedervergelding;
— iets niet met droge oogen kunnen aanzien, zonder te schreien;
— er zijn hier twee oogen te veel, iem. onder de aanwezigen is te voel; het alziend oog, God;
— als tusschenpersoon voorgesteld tusschen den mensch en de wereld buiten hem : zijn oogen gelooven, vertrouwen, voor waar houden wat men ziet;
— ’t oog wil ook wat hebben, het uiterlijk moet men niet verwaarloozen;
— zijn oogen den kost geven, goed toezien, rondkijken;
— de oogappel met de pupil daarin : blauwe, bruine oogen hebben;
— het gezichtsorgaan met de oogleden er overheen : de oude man bedekte de oogen met de beide handen en snikte; de oogen openen, sluiten, openhouden;
— iem. met open oogen bedriegen, zóó dat hij het met de geringste oplettendheid had kunnen zien;
— een open oog voor iets hebben, er niet ongevoelig voor zijn, er op letten;
— iem. de oogen openen, hem de waarheid doen zien;
— het oog (de oogen) sluiten, dichtdoen;
— geen oog luiken, toedoen, niet slapen;
— iem. de oogen sluiten, in zijn stervensuur, (ook) iem. in zijn laatste oogenblikken bijstaan;
— de oogen voor iels sluiten, doen alsof men het niet ziet. oogluikend laten geschieden:
— een blauw oog, t. w. van slagen;
— met de oogen knippen, pinken;
— op je oogen !, (scherts.) op je gezicht;
— (als iemands karakter, zijn inwendigen toestand, zijne stemming, kenbaar makende): de taal der oogen; het oog is de spiegel der ziel; zijne oogen schoten vuur; haar oogen stonden dof; hoop glinsterde in zijn oog;
— groote oogen opzetten, als teeken van verbazing;
— de ondeugd ziet hem de oogen uit, is in zijne oogen te lezen;
— een gevaar onder de oogen zien, er niet voor wijken, het niet ontvluchten;
— iem. naar de oogen zien, om zijne wenschen te raden;
— hij behoeft niemand naar de oogen te zien, is van niemand afhankelijk;
— een blik, de gezamenlijke blikken die men op een voorwerp richt; zij had met hare oogen zijn graf gezocht;
— schele oogen maken, geven, nijd, afgunst verwekken;
— iem. met schele oogen aanzien, (Zuidn.) een scheel oog op iem. trekken, hem met nijd, met afgunst beschouwen;
— onder iemands oogen komen, in zijne tegenwoordigheid, onder zijn toezicht;
— iets onder de oogen hebben, het zien;
— iem. iets onder het oog brengen, hem iets voorhouden, hem op iets wijzen, hem iets aan het verstand trachten te brengen;
— iets voor oogen houden, het steeds indachtig zijn;
— God voor oogen houden, Hem vreezen;
— iem. iets voor oogen leggen, stellen, het hem uitleggen, uiteenzetten;
— voor oogen staan, voor den geest staan;
— een oogje in het zeil houden, op alles acht hebben, iets goed nagaan;
— het oog slaan op, zijn blikken richten op;
— (Zuidn.) iets op zijn oog slaan, het zich onwettig toeëigenen;
— op iem. het oog laten vallen, hem of haar uitkiezen voor iets;
— met de oogen verslinden, met groote begeerte aankijken;
— met een half oog iets zien, iets zien zonder er zijn volle aandacht aan te schenken;
— iem. oogjes (een oogje) geven, hem, haar toelonken, een blik van verstandhouding geven;
— het oog op iets hebben, gadeslaan, bewaken, (ook) de aandacht gevestigd houden op iem. of iets dat men wenscht uit te kiezen, (ook) iets op het oog hebben, bedoelen;
— met het oog op, wanneer men in het oog houdt, in aanmerking genomen;
— met de oogen volgen, naoogen;
— een goed oog op iem. hebben, geneigd zijn hem voor een bepaald doel uit te kiezen;
— het oog van den meester maakt het paard vet, de zorg van den eigenaar moet over alles gaan;
— de uitgestrektheid welke men van uit een bepaald punt kan overzien ; waar Vondel door de snelheid zijner vlucht het oog van den huidigen lezer ontvaart;
— iets, iem. in het oog hebben, binnen den gezichtskring hebben;
— in het oog houden, voortdurend met opmerkzaamheid gadeslaan; (ook) niet vergeten;
— in het oog krijgen, binnen den gezichtskring bespeuren, opmerken;
— in het oog loopen, zoo aan iemands blikken zich vertoonen, dat daardoor zijne opmerkzaamheid wordt gaande gemaakt;
— uit het oog, buiten de uitgestrektheid die men kan overzien;
— uit mijn oogen!, uit mijne tegenwoordigheid!;
— (spr.) uit het oog, uit het hart, de afwezigen worden licht vergeten;
— uit het oog raken, onzichtbaar worden;
— uit het oog verliezen, gaandeweg verzuimen er de noodige aandacht aan te schenken, verwaarloozen, (van pers.) uit het gezicht verliezen;
— uitzicht, voorkomen van iets dat waargenomen wordt: dat huis heeft geen oog, geen aardig voorkomen;
— op het oog, op het voorkomen afgaande;
— het oog is van iets af, het heeft geen goed uitzicht meer;
— (R. K.) afbeelding van een oog als symbool der goddelijke alwetendheid; een oog in stralenkrans, God; een oog in een driehoek, de wijsheid der H. Drievuldigheid;
— een oog in de hand, Gods wijsheid en almacht;
— (bij vergelijking) de oogvormige opening aan sommige voorwerpen en gereedschappen : het oog van eene bijl, het buisvormige gedeelte, waarin de steel wordt bevestigd;
— het oog eener naald, de opening waardoor de draad getrokken wordt;
— (bijb.) door het oog van eene naald kruipen, ternauwernood aan een dreigend gevaar ontkomen;
— het oog eener klok, de opening waaraan zij opgehangen wordt;
— het oog van een sleutel, het ringvormig gedeelte boven aan de schacht;
— het oog eener schaar, de ringvormige opening waar men vinger of duim door steekt om de schaar te hanteeren;
— die kleermaker heeft dat goed door het oog zijner schaar gehaald, zich oneerlijk toegeëigend;
— het oog eener schroef, het oogvormig gedraaide gedeelte;
— de oogen van knoopen, de gaatjes waardoor men ze aan de stof kan vastnaaien;
— een welbekend sluitmiddel aan kleedingstukken, min of meer ringvormig waarin een haak wordt bevestigd; (vandaar) haken en oogen, als het zinnebeeld van iets hetgem moeilijk is te ontwarren en los te maken : de wereld is vol haken en oogen; in haken en oogen komen, in onaangenaamheden; iets geeft haken en oogen;
— de ondiepe, meestal zwart gekleurde putjes op dobbelsteenen (of dominosteenen) : hij wierp, gooide zes oogen; dertien oogen gooien, een onmogelijk groot geluk hebben;
— uitgevloeide druppel vet, dat bij het koken van vettige stoffen in water aan de oppervlakte komt;
— (plantk.) knop; de oogen van aardappels, ware bladknoppen, waaruit de eenjarige stengels, de uitloopers te voorschijn komen; oculeeren met een wakend oog, in Juni en met een slapend oog, in Aug. of Sept.;
— (wev.) de knoop of strik in het midden der draden van de schaften der weefgetouwen;
— holligheden in brood en kaas;
— (Z. A.) bron;
— (bouwk.) cirkelvormig venster in den gevel, onder het dak;
— het oogvormig gedeelte aan sommige letters;
— bocht, lus die in eenig touw gemaakt en voor goed bevestigd wordt: een gesplitst oog; een Vlaamsch oog;
— oogvormig versiersel op een pauwestaart, op de vlerken van een vlinder of in stoffen, inz. in linnen; (vandaar) het linnen waarin dergelijke oogjes voorkomen : linnen oogjes. OOGJE, o. (-8).