Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Gist

betekenis & definitie

GIST, (gew. ook GEST), v. zeker plantaardig organisme dat ontstaat in vloeistoffen, wanneer suikerdeelen daarin zoodanig worden omgezet dat er alcohol wordt gevormd; zoowel datgene wat naar boven werkt als schuim (bovengist), als wat als droesem bezinkt (ondergist): de gist, die men gebruikt om brood en ander gebak te doen rijzen wordt meest verkregen in de branderijen;

— droge gist, de gedroogde of geperste gistplantjes.