Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 31-08-2018

ARMOEDIG

betekenis & definitie

bn (-er, -st), blijk gevende van de armoede van den bezitter, schamel: een armoedig vertrek; armoedige kleeding, ook een armoedig leven hebben;

— eene armoedige kunst, gebrekkig;
— een armoedig gezin, in armoede verkeerende;
— een armoedige bodem, boerenplaats, die niet veel oplevert;
— onvoordeelig, ook een armoedige stal met vee, dat er treurig uitziet;
— geringschattend gezegd: een armoedige tweehonderd gulden gaan er mee heen;
— bw. op eene armoedige wijze. ARMOEDIGHEID, v.