Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

Geschiedenis

betekenis & definitie

GESCHIEDENIS, v. (-sen), het gebeurde, voorval: ik zal u morgen de geschiedenis vertellen; de voornaamste geschiedenissen van NoordNederland;

verhaal van iets dat gebeurd is, (ook) verdicht verhaal, sprookje de held dezer geschiedenis; de geschiedenis van Klein Duimpje; het is altijd dezelfde geschiedenis, het is altijd het oude liedje, het komt altoos op hetzelfde neer;
— het geregeld verhaal van hetgeen in vroeger tijd is gebeurd met betrekking tot het leven en verleden van de menschheid, van een volk of van een persoon of zaak, historie de algemeene, de vaderlandsche geschiedenis; de Romeinsche, de bijbelsche geschiedenis; de geschiedenis der menschheid; de geschiedenis der letterkunde, der geneeskunde, der Fransche revolutie; de geschiedenis van Amsterdam;
— dat behoort tot de geschiedenis, die zaak is al lang afgedaan;
— wij kennen de geheime geschiedenis van haar hart niet;
— (als een voorwerp en vak van wetenschap beschouwd): een hoogleeraar in de geschiedenis; het onderwijs in de geschiedenis; (bij persoonsverbeelding) een der zeldzaamste mannen, wier naam de geschiedenis bewaard heeft;
— een (zonderling, lastig, netelig) geval: dat is eene gekke (leelijke) geschiedenis voor hem, ik ben benieuwd hoe hij er zich uit zal redden;
— (gemeenz.) iets dat men niet bij den waren naam wil of kan noemen, inz. de schaamdeelen het was een akelig gezicht toen hij werd verbonden de heele geschiedenis kwam bloot; toen zij viel, zag ik de heele geschiedenis. GESCHIEDENISJE, o. (-s).