Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 27-09-2018

Morgen

betekenis & definitie

1. Morgen m. (-s), tijd tusschen den nacht en den vollen dag, ochtendstond, begin van den dag: de morgen breekt aan; tegen den morgen heeft het iets gevroren;

— van den morgen tot den avond zit hij te werken, altijd door, zonder ophouden;
— bij uitbreiding; ochtend, tijd van het krieken van den dag of van iemands opstaan tot ‘s middags 12 uur of tot den tijd van het middagmaal: gedurende, in den morgen; van morgen; ‘s morgens; ik heb hem van morgen nog gesproken; iem. goeden morgen wenschen, zeggen;
— goeden morgen ! als begroeting, (ook iron.) om iets te ontkennen of te weigeren: ik dacht hem daar te treffen, maar, goeden morgen! hij was al gevlogen;
— frisschen morgen, heilwensch bij het bitteren of borrelen, prosit, gezondheid;
— te avond of morgen loopt het verkeerd af, te eeniger tijd;
— (fig.) de eerste levensjaren, de tijd waarmee het leven begint: verkwikt den avond van hun leven, gelijk zij het den morgen van het uwe deden; daar droomt hij den uchtend gedenkend der jeugd, des levens zoo zonnigen morgen;
— in 't algemeen: begin van eenig tijdperk, eenigen toestand; de morgen der vrijheid; (dicht.) het Oosten. MORGENTJE, O. (-s).
2. Morgen bw. op den eerstvolgenden dag in tegenst. met gisteren : ik zal morgen wel eens komen; heden ik, morgen gij; kom ik er vandaag niet, dan kom ik er morgen; morgen komt er weer een dag, gezegd als men iets wil uitstellen; de dag van morgen; morgen aan den dag;
— (gemeenz.) morgen brengen, gezegd als men iets niet wil doen: ik zal hem maar alles geven wat hij vraagt I jawel, morgen brengen;
— o. toekomst: God heeft het morgen in zijne hand; vertrouw niet op het onzekere morgen.
3. Morgen o. en m. (-s), zekere landmaat, waarvan de grootte in de verschillende landen zeer onderscheiden is : de Rijnlandsche morgen = 8516 M². of ruim ⅘ HA.; de Amstellandsche morgen = 8219 M2.; de Waterlandsche 10770 M2., de Geldersche 3180 M2.