Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Held

betekenis & definitie

HELD, m. (-en), een dapper strijder, iem. die door moed uitblinkt: zij streden als helden; gord uw zwaard aan de heup, o held !; de held van Waterloo;

— hij is geen held, ’t is een lafaard;
— als er ,,held” geroepen wordt, moet jij maar eens omkijken, ironisch gezegd tegen iem. die niet moedig is; hij is een heele (eerste) held als het op loopen aankomt;
— die herstellende zieke is, voelt zich nu weer een heele held, een heele baas, voelt, denkt zich veel beter;
— hij is geen held in 't rekenen, kan niet goed rekenen;
— (ook van de dapperen uit den voortijd, wier onsterfelijke daden in sagen worden herdacht) heros (vgl. samenst. als heldendicht, heldentijd)',
— (ook) een krachtig strijder voor het geloof; de helden Godes, de geloofshelden;
— (bij uitbr.) iem. die ergens in uitmunt: de helden der wetenschap; een held in het drinken; een held aan tafel, die zich hij het drinken aan tafel dapper weren kan ’t is een held met den mond, als men hem hoort spreken lijkt hij zeer moedig, maar als het op daden aankomt, is hij dat niet;
— (ook) de persoon die het middelpunt der handeling is in een roman, een tooneelstuk enz. de held van het stuk; de schrijver weet bij den lezer belangstelling te wekken voor zijn held;
— (bij uitbr.) hij is de held van den dag, van het feest, de hoofdpersoon, die de algemeene belangstelling tot zich trekt.