Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

Geloof

betekenis & definitie

GELOOF, o. vertrouwen in de waarheid van eens anders beweringen en beloften, of in de geloofwaardigheid van een verhaal, enz zijn geloof in de eerlijkheid der menschen is geschokt; ik sla (of hecht) geen geloof aan zijne beweringen; hij verdient geen geloof, is onbetrouwbaar; de zaak vond geen geloof, werd niet geloofd;

— het vast en onwankelbaar vertrouwen op God en Gods woord het geloof is een vaste grond der dingen die men hoopt, en een bewijs der zaken die men niet ziet (Hebr. 11 1); met een vurig geloof bezield;
— een geloof dat bergen verzetten kan, waaruit men de kracht kan putten om alle moeilijkheden te boven te komen;
— geloof, hoop en liefde; het geloof in God, in Christus;
— het geloof in het bloed, in het kruis enz van Jezus, het vast vertrouwen op de zegenrijke gevolgen van het lijden en sterven des Heilands voor het menschdom;
— (bij uitbr.) geloof in de wetenschap, in de jeugd, in de menschheid, het vertrouwen op den heilzamen invloed der wetenschap, op de zegepraal der deugd, der betere natuur van den mensch;
— het gelooven, in tegenstelling van het weten het geloof aan God, aan de goddelijke openbaring, aan het leven hiernamaals, het vast vertrouwen dat God werkelijk bestaat, dat de bijbel Gods woord bevat, dat de mensch tot een eeuwig leven bestemd is;
— het geloof aan spoken, de overtuiging dat er werkelijk spoken bestaan;
— een blind geloof, waarbij men blindelings anderen volgt;

—, (...looven), geloofsbelijdenis, geloofsovertuiging hij durft niet voor zijn geloof uitkomen;
— (spr.) twee gelooven in één huis, dat is een groot kruis, of twee gelooven op één kussen, daar slaapt de duivel tusschen, als man en vrouw niet hetzelfde geloof hebben, is dit licht oorzaak van moeilijkheden;
— het Roomsche, het Gereformeerde, het Luthersche geloof, de christelijke waarheid naar de voorstelling der Roomschen, Gereformeerden, Lutherschen;
— het oude en het nieuwe geloof, de Roomsche en de Protestantsche godsdienst;
— van geloof veranderen, tot een anderen godsdienst overgaan;
— het alleen zaligmakend geloof, de Roomsche leer; het ware geloof; een broeder in den geloove, een geloofsgenoot:
— de twaalf artikelen des geloofs, de zoogenaamde apostolische geloofsbelijdenis, het credo, als formulier bij verschillende christelijke kerkgenootschap pen in gebruik;
— het vertrouwen in geldzaken, krediet: (spr.) kwaad geluk maakt kwaad geloof, loopt het iemand tegen, dan gaat zijn krediet achteruit;
— het beste geloof is gereed geld, geen beter krediet dan gereede betaling;
— ,, Van ouds 't Geloofd, oude naam van herbergen, waar men aan de vaste klanten krediet placht te verleenen;
— op goed geloof, op goed vertrouwen.