Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Eiland

betekenis & definitie

EILAND, o. (-en), land aan alle zijden door water omringd;

— een eilandje maken, zeker spel;
— zoo groot als een eiland, zeer groot;
we zitten hier op geen eiland, we zijn hier niet van alle gemeenschap afgesloten, we hebben het hier zoo kwaad niet, geene haast om weg te gaan;
— hij vaart tusschen de eilanden door, weet de moeielijkheden te vermijden;
— die vogel maakt zijn nest in het moeras, op kleine eilandjes van gras, hoogere gedeelten; vgl; koraaleiland, schiereiland. Eilandje, o. (-s).