Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Bul

betekenis & definitie

Het begrip bul heeft 5 verschillende betekenissen:

1. bul - BUL, m. (-len), stier, inz. springstier;
hij heeft een kop als een bul, rood opgeblazen hoofd;
— (gew.) hoerenjager; (fig.) lomperd, buffel;
— (gew.)

't is een bul van een jongen, ’t is een zware, dikke jongen. Bulletje, o. (-s), (w. g.)

2. bul - BUL, m. (-len), (kuip.) de zware houten hamer met grooten kop, waarmee op het kloofmes geslagen wordt bij het klooven der duigen, kloof hamer.

3. bul - BUL, v. (-len), pauselijke bul, open brief van een Paus, oudtijds geschreven op grauw perkament met Gothische letters en afkortingen, voorzien van een looden zegel, thans ep perkament , na 1878 in gewone schrijfletter, versierd met initiaal , gezegeld met een stempel waarop de beeltenis van de apostelen Petrus en Paulus;
— gezegelde, op perkament geschreven oorkonde (van vorsten, van een academischen senaat, enz.): doctors bul; gouden bul, het edict van Karel IV, in 1326 te Metz afgekondigd.

4. bul - BUL, v. (-len), oude lap, vod; geef die bullen maar weg, die oude kleeren;
— zijne bullen poetsen, zijne uitrustingstukken (van soldaten);
— hij weet nooit waar hij zijne bullen laat, zijne zaken, spullen;
— hij kent zijne bullen goed, zijne zaken, datgene wat hij weten moet.

5. bul - BUL, v. (gew.) harde plaatkoek, ongeveer als janhagel;
— de stad van bul en bolus, Leiden.