Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

Kuip

betekenis & definitie

KUIP, v. (-en), een wijd houten vat, dat van boven open is en tot onderscheiden doeleinden gebruikt wordt: waschkuip, badkuip, wijnkuip; inz. ton om vleesch of spek in te bewaren; wij hebben den os, het vleesch, het spek in de kuip;

— (spr.) daar is vleesch in de kuip, daar is voorraad en geld, daar heerscht welstand;
— hij weet zeer goed, welk vleesch hij in de kuip heeft, met welke menschen hij te doen heeft;
— (blauwverv.) eene kuip zetten, haar toebereiden;
— (leerl.) op de kuipen werken, leer bereiden; (papierm.) aan de kuip staan, papier scheppen;
— holte waarin een machinedeel zich kan bewegen. KUIPJE, o. (-s).