Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 31-08-2018

BAREN

betekenis & definitie

(baarde, heeft gebaard), een kind ter wereld brengen;

— (spr.) de berg heeft eene muis gebaard, datgene waar zooveel ophef, zooveel drukte van gemaakt werd, is op weinig of niets uitgeloopen;
— de tijd baart rozen, de tijd brengt alles weder terecht;
— (fig.) veroorzaken: dit baart mij kommer; schrik, zorg, angst, onrust, opzien baren;
— keus baart angst, wie tusschen twee dingen moet en niet weet te kiezen, ondervindt een onaangenaam gevoel;
— (gew.) schreeuwen, aangaan, geweld maken; (op de Kon. Mil. Ak.) ontgroenen. BARING, v. het baren.