Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 31-08-2018

BAANDERHEER

betekenis & definitie

m. (-en), (oudt.) een edele die het recht had zijne welgeboren mannen onder zijne banier ten strijde te voeren (in Vlaanderen en Brabant ook baanrots geheeten);

thans nog de rijksbaronnen of baanderheeren namen aan de stemming deel (Oostenrijk-Hongarije);
— den baanderheer spelen, zie BANJER.