Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 31-08-2018

BANIER

betekenis & definitie

v. (-en), (wapenk.) volkomen vierkant vaandel, dient meest tot uitwendige versiering van een wapen;

— vaandel, standaard waarom zich de krijgslieden scharen, (bij uitbr.) het vaandel van eene vereeniging; zich om de banier scharen; de banier ontplooien;
— de banier hoog houden de eer der banier handhaven; (fig.) de banier opsteken, een opstand beginnen. BANIERDRAGER, m. (-s), hij die de banier draagt; (ook fig.).