Wat is de betekenis van Baanderheer?

1994
2021-06-18
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Baanderheer

[verbastering van Du. Bannerherr] (gesch.) edelman met het recht een eigen banier te voeren in de oorlog; thans: verder verbasterd tot banjer(heer) = opschepper, losbandige pretmaker (zie ook: banjer).

1994
2021-06-18
Lexicon Nederland en België

Lexicon van de geschiedenis van Nederland & België

Baanderheer

Baanderheer (banerhere, signifer, in Vlaanderen en Brabant ook baanrots), in de Middeleeuwen de naam van de ridder die het recht had een zeker aantal manschappen onder eigen banier ten strijde te voeren. Enkele machtige baanderheren waren de heren van Batenburg in Gelre en de heren van Bergh en Bronkhorst in Zutphen. Onder → Karel V en → Filips II...

Lees verder
1993
2021-06-18
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Baanderheer

edelman met het recht onder eigen banier oorlog te voeren (gesch.)

1981
2021-06-18
Geschiedenis Lexicon

H.W.J. Volmuller (1981)

Baanderheer

(bannerheer, signifer, in Vlaanderen en Brabant ook baanrots). in de Middeleeuwen de titel van de persoon die de banier droeg; ridder, die het recht had een zeker aantal manschappen onder eigen banier ten strijde te voeren. In Gelre waren baanderheren die van Batenburg. Buren, Kuilenburg en van de Lek; in het graafschap Zutphen waren het die van Ba...

Lees verder
1973
2021-06-18
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Baanderheer

Baanderheer - (bannerheer, in Vlaanderen en Brabant ook baanrots), m. (-heren), in de middeleeuwen de titel van de edelman die het recht bezat een eigen banier te voeren. In de Graafschap Zutphen waren de erkende bannerheren die van Bronkhorst, Bergh, Batenburg, Wisch en Baer, alle edelvrije geslachten die het bestuur voerden over de hoge heerlijkh...

Lees verder
1950
2021-06-18
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Baanderheer

m. (...heren), (oudt.) edele die het recht had zijn welgeboren mannen onder zijn banier ten strijde te voeren (in Vlaanderen en Brabant ook baanrots).

1937
2021-06-18
Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Baanderheer

Vrijheer. Tot aan de 15de eeuw had men in onze gewesten een groot aantal kleine leenmannen, die weinig in macht verschilden. Deze bevochten elkaar en sommigen breidden hun macht uit ten koste van de anderen en zoo ontstonden grootere leenen, welke erfelijk werden. De vorst gaf aan die heeren den titel van graaf of hertog. Deze zetten onderling den...

Lees verder
1933
2021-06-18
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Baanderheer

edelman, die onder eigen → banier zijn mannen mocht aanvoeren.

1916
2021-06-18
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Baanderheer

Baanderheer - bannerheer of baanrots, een niet erfelijke waardigheid, tot wier erlanging het vermogen, om 50 mannen in het veld te kunnen brengen, vereischt werd. Het was de ridder, die het recht had onder een eigen banier zijn mannen ten strijde te voeren; hiervan banjer, ironische naam voor iem., die zich als een grootheer wil voordoen en veel dr...

Lees verder
1898
2021-06-18
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

BAANDERHEER

m. (-en), (oudt.) een edele die het recht had zijne welgeboren mannen onder zijne banier ten strijde te voeren (in Vlaanderen en Brabant ook baanrots geheeten); — thans nog de rijksbaronnen of baanderheeren namen aan de stemming deel (Oostenrijk-Hongarije); — den baanderheer spelen, zie BANJER.

Lees verder
1870
2021-06-18
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Baanderheer

Baanderheer was in het voormalige Duitsche rijk de titel van elken edelman, die het regt had, om met zijne krijgsknechten onder eene eigene banier of vaandel naar het keizerlijk of koninklijk leger te trekken. De lagere adel kon dat regt alleen verwer­ven door eene bepaalde benoeming des Kei­zers en werd hierdoor met den hoogen adel gelijkgesteld....

Lees verder