Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

Gelaat

betekenis & definitie

GELAAT, o. (eig.) de wijze waarop iem. zich gelaat, voordoet, er uitziet; het voorkomen, het uiterlijk; (bijb.) de uitdrukking die er op iemands gezicht ligt: het gelaat des aangezichts; (bijb.) een schoon gelaat toonen, zich mooi voordoen; (bijb.) het uiterlijk voorkomen van zaken;

— (van menschen) het voorste gedeelte van ’s menschen hoofd, het aangezicht, in betrekking tot de uitdrukking der gelaatstrekken een onbeduidend, een afzichtelijk gelaat; een bleek, een koud, een aanvallig gelaat; ik heb in lang zijn gelaat niet aanschouwd, hem in lang niet gezien;
— het aangezicht als uitdrukking van ’s menschen aard, karakter of aandoeningen haar gelaat had eene uitdrukking van zachten ernst; zijn gelaat droeg de blijken van zijne gemoedsaandoeningen; een zedig, een schrander, een open gelaat;
— een onbewogen (onbeweeglijk, strak, effen) gelaat, een aangezicht, dat door geenerlei beweging der spieren te kennen geeft wat er in het binnenste omgaat;
— een blij, een hoffelijk gelaat toonen;
— het gelaat vertrekken, door beweging der aangezichtsspieren het eene andere uitdrukking doen aannemen;
— (w. g.) een goed gelaat houden, zich goed houden en geen spoor van eene onaangename gewaarwording op het aangezicht laten blijken; met vriendelijken ernst, met de onschuld, met blijdschap, met angst, met onrust op het gelaat., met een aangezicht, welks trekken die aandoening oi die geaardheid doen blijken;
— het gelaat spreek (op zekere wijze), het laat (op die wijze) de gemoedsaandoeningen duidelijk blijken;
— hij heeft een sprekend gelaat, waarop de aandoeningen. duidelijk te lezen staan;
— iets (t. w. eene aandoening of geaardheid) spreekt uit het gelaat, is er zoo duidelijk op uitgedrukt, dat ieder het moet opmerken;
— (ook) iets teekent zich af op het gelaat, of staat er op (af)geteekend, is er voor iederen aanschouwer duidelijk op uitgedrukt;
— iets (t. w. eene aandoening of geaardheid) staat op het gelaat te lezen, staat er duidelijk voor ieder op uitgedrukt);
— het gelaat fronsen, plooien, ontfronsen, ontplooien; een gefronst, geplooid, ontfronst, ontplooid gelaat; eene plooi in (of op) ’t gelaat enz., in welke uitdrukkingen de plooien of fronsen (rimpels) in het aangezicht als het zinnebeeld van ernst, zorg of bekommering worden opgevat;
— het gelaat betrekt, klaart op, heldert op enz. of iets (t. w. eene aandoening) betrekt, bewolkt enz. het gelaat, in welke uitdrukkingen de nevel of wolk als zinnebeeld van bekommering of droefheid, het opklaren, enz., als het terugkeeren der opgeruimdheid wordt opgevat;
— (dicht.) het aanschijn der hemellichten, inz. van Zon en Maan, alsmede van den Dageraad, die als godheden worden voorgesteld, en aan welke als zoodanig een gelaat wordt toegekend: de maan rijst boven duin en baren, haar rond gelaat is donkerrood;
— (van andere levenlooze dingen) het aanschijn, het voorkomen, het uiterlijk er van wanneer de lentestralen hun gulden tinten over ’t schoon gelaat der dalen verspreiden.