Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 30-08-2018

Afleiden

betekenis & definitie

AFLEIDEN, (leidde af, heeft afgeleid), van eene plaats afbrengen en naar eene andere geleiden : een blinde van eene gevaarlijke plaats afleiden; onverkocht vee van de markt afleiden;

— eene dame afleiden, haar gearmd van het orkest naar hare plaats, naar haar rijtuig of naar een ander vertrek geleiden, het tegenovergestelde van opleiden;
— iem. van den rechten weg afleiden, op een dwaalspoor brengen (eig. en fig.);
— (boomtakken, ranken enz.) van een bepaald punt elders heen leiden, ook afleggen genoemd;
— (stroomend water) ergens anders heen doen stroomen : het water der bron werd afgeleid;
— (geneesk.) het bloed van de hersenen of longen afleiden;
— (fig.) den stroom afleiden, eene zich bewegende of verplaatsende volksmenigte van richting doen veranderen;
— den bliksem afleiden, dien zóó leiden, dat hij het voorwerp waarop hij valt, verlaat zonder dit of de nabij zijnde voorwerpen te beschadigen, zonder in te slaan; (ook fig. eene uitbarsting van toorn);
— iem. van zijn werk afleiden, daarin storen, verhinderen;
— iem. van eene gedachte, een voornemen, eene aandoening enz. afleiden, maken dat hij iets andere begint te denken of te gevoelen door zijne aandacht op iets anders te vestigen;
— iem. afleiden, iem. van zijn werk aftrekken; (ook) bezighouden, zoodat hij niet denkt aan hetgeen hem hindert of bedroeft, hem opvroolijken, opbeuren;
— (neigingen, aandoeningen) verkeerd leiden, zoodat zij in iets berispelijks ontaarden;
— iemands aandacht (opmerkzaamheid) van iels afleiden ze ervan aftrekken en op iets anders vestigen;
— het gesprek {van iets) afleiden, het ongemerkt op een ander onderwerp brengen;
— naar beneden leiden langs eene helling of van eene hoogte: iem. de trap afleiden;
— (fig.) (een geslacht of eene familie) den oorsprong daarvan aanwijzen in een vroeger persoon of in zeker geslacht, aantoonen of beweren, dat zij daarvan afkomstig, daaruit afgestamd zijn : de Heer en van Brederode leidden hun geslacht af van graaf Arnoud;
— (fig.) hij leidde haar stilzwijgen af uit een gevoel van schuld, hield dit gevoel voor de oorzaak;
— (bestaande woorden) aanwijzen of beschouwen als afkomstig van een of meer andere woorden (grondwoorden) ten aanzien van vorm en beteekenis, verklaren uit hunne afstamming : niet ten onrechte leidt men . opperman' van ,operarius’ af;
— iets uit of van iets anders afleiden, uit iets gegevens tot iets nieuws besluiten, het daaruit opmaken;
— (meeningen en oordeelen) opmaken als gevolgtrekking uit het gegevene : leid echter niet uit mijne weigering af, dat ik u ongenegen ben;
— (stellingen, gevoelens, gezindheden enz.) vormen of opvatten als gevolg of uitvloeisel van iets anders, opmaken: eene gevolgtrekking afleiden;
— zijne aanspraak ergens uit afleiden, gronden op;
— (nieuwe woorden) van of uit bestaande woorden vormen, hetzij door aanhechting van voor- of achtervoegsels of door verandering van den wortelklinker, hetzij zonder eenige verandering van vorm, door aan het woord eene beteekenis te hechten, waardoor het een ander rededeel wordt: spraak, spreuk, sprookje, gesprek, bespreking, afspraak zijn afgeleid van spreken;
— (muz.) afgeleide akkoorden; fis en bes zijn afgeleide tonen.