Wat is de betekenis van afleiden?

2019
2021-11-28
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

afleiden

afleiden - Werkwoord 1. (ov) de aandacht opvragen zodat die niet aan iets anders gegeven kan worden De zoon moest zijn vader afleiden, zodat de dochter ongemerkt naar buiten kon gaan. 2. ~ uit: begrijpen, concluderen Ik kon uit haar woorden wel afleiden d...

Lees verder
2018
2021-11-28
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

afleiden

afleiden - regelmatig werkwoord uitspraak: af-lei-den 1. ervoor zorgen dat de aandacht ergens anders op gericht wordt ♢ Jan is erg druk met de zaak bezig, we moeten hem wat afleiden 2. woorden vormen uit andere woorden...

Lees verder
1981
2021-11-28
Lexicon der Natuurgeneeskunde

Vraagbaak voor het moderne gezin (Uitgave Milinda Uitgevers, 1981)

Afleiden

van een stuwing of overvloed aan bloed naar een ander stroomgebied met het doel een bepaald gebied te ontlasten. Van het hoofd leidt men af naar armen, borst, buik of benen, van de borst naar de armen of benen, van de buik naar de benen zelden naar de armen -, van de benen naar buik of armen. Afleiden naar de voeten: op blote voeten lopen, dauw-,...

Lees verder
1952
2021-11-28
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Afleiden

v., ôfliede; — uit, ôfnimme út, opmeitsje út.

1950
2021-11-28
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Afleiden

(leidde af, heeft afgeleid), 1. van een plaats af brengen en naar een andere geleiden: een blinde van een gevaarlijke plaats afleiden ; onverkocht vee van de markt afleiden; — een dame afleiden, haar gearmd b.v. van het orkest naar haar plaats, naar haar rijtuig enz. geleiden; iem. van de rechte weg afleiden, op een dwaal...

Lees verder
1937
2021-11-28
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

afleiden

leidde af, heeft afgeleid; 1. naar een andere plaats leiden, wegleiden: iem. van de weg afleiden; 2. een vloeistof of iets, dat hiermee vergeleken wordt, ergens heen leiden: water afleiden; de bliksem afleiden; 3. gedachten een andere richting geven: iem. van zijn werk afleiden, hinderen, de opmerkzaamheid storen; 4. verstrooien: reis! dat zal je w...

Lees verder
1898
2021-11-28
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Afleiden

AFLEIDEN, (leidde af, heeft afgeleid), van eene plaats afbrengen en naar eene andere geleiden : een blinde van eene gevaarlijke plaats afleiden; onverkocht vee van de markt afleiden; — eene dame afleiden, haar gearmd van het orkest naar hare plaats, naar haar rijtuig of naar een ander vertrek geleiden, het tegenovergestelde van opleiden; &md...

Lees verder
1898
2021-11-28
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Afleiden

zie Afkeeren.