Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 30-08-2018

Afdoen

betekenis & definitie

AFDOEN (deed af, heeft afgedaan), kledingstukken, sieraden enz. die aan-, om-, voorgedaan of omgeslagen worden, een ander of zich zelven van het lijf doen; afleggen;

— zijne broek afdoen, losmaken en op de beenen laten zakken;
— de prijs is te hoog, gij kunt er wel iets afdoen, den prijs verminderen;
— afnemen, weglaten : er geen woord afdoen;
— (zegsw.) een schelm die er iets afdoet, schertsende uitdrukking waarmede men het vermoeden aan den dag legt, dat iem. zijn verhaal vergroot of overdrijft;
— ik heb er niets bij- of afgedaan, toegevoegd of weggelaten;
— dat doet er niet {aan) toe of af, verandert het niet, heeft er geen invloed op;
— het stof van de schoenen, kleeren, meubelen afdoen, wegnemen, ook : iem. de schoenen, den hoed, de glazen, de meubelen afdoen, schoonmaken, het stof, vuil er van verwijderen;
— afnemen, verwijderen van ; het deksel van den pot, den ketel van het vuur, de kurk van eene fiesch afdoen; het verband van eene wande afdoen, enz.;
— volbrengen, ten einde brengen, afwerken : eene taak afdoen; eene zaak afdoen;
— eene afgedane zaak, die is afgeloopen, daarop mag dus niet meer teruggekeerd worden;
— (beurst.) er zijn vandaag groote partijen tabak afgedaan, verhandeld, verkocht;
— iets afdoen met een lachertje, er zich met een lachje of grapje afmaken:
— heel wat afdoen, (scherts.) zich druk bezighouden met zaken van weinig aanbelang;
— van afdoen houden, erop gesteld zijn. dat de zaken vlug ten einde gebracht worden;
— afgedaan hebben, zijn werk volbracht hebben, er klaar mede zijn;
— niet meer kunnen dienen : deze pen heeft afgedaan;
— iemands vertrouwen verloren hebben: gij hebt bij mij afgedaan, man! ik kan op u niet rekenen;
— uitwerken, veel beteekenen; dat doet alles af; de stem van den voorzitter doet veel af, beslist veel;
— het is bij mij afgedaan, uitgemaakt, bewezen, staat bij mij vast;
— dat doet in dezen niets af, is hier van geen belang;
— eene schuld afdoen, (ook: eene zedelijke schuld), betalen, voldoen;
—van eene schuld afdoen, af betalen, in mindering betalen;
— (zegsw.) den kerfstok afdoen, alle schulden voldoen.