Wat is de betekenis van Afdoen?

2019
2022-08-11
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

afdoen

afdoen - Werkwoord 1. (ov) een gerezen vraag of tegenwerping als onbetekenend voorstellen Hij deed dat af alsof het een slechte grap was.. 2. (ov) een sieraad of kledingstuk afleggen Hij had zijn hoed nog niet afgedaan. 3. ten einde bren...

Lees verder
2018
2022-08-11
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

afdoen

afdoen - onregelmatig werkwoord uitspraak: af-doen 1. het van je lichaam halen ♢ ik heb mijn horloge afgedaan 2. het minder maken ♢ die mooie auto doet niets af aan zijn vervelende karakter...

Lees verder
2017
2022-08-11
Beursspeculanten

Jargon & Slang van Beursspeculanten

Afdoen

Afdoen - verkopen, verhandelen: 'Die fondsen zijn afgedaan.'

1973
2022-08-11
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Afdoen

af'doen (deed af, heeft afgedaan). 1. kledingstuk- ken, sieraden enz. een ander of zichzelf van het lijf doen; afleggen: een collier, ceintuur afdoen; 2. een deel van een geheel wegnemen: de prijs is te hoog, u kunt er wel iets afdoen, de prijs verminderen; (zegsw.) een schelm die er iets afdoet, schertsende uitdrukking waarmee men het vermoe...

Lees verder
1952
2022-08-11
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Afdoen

v., ôfdwaen; (regelen), bisljochtsje; de zaak is afgedaan, dat is bislikke, dêrmei is it lyk yn ’e hûs; het mondeling —, it mei de mûle ôfmeitsje, -lizze.

1950
2022-08-11
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Afdoen

(deed af, heeft afgedaan), 1. kledingstukken, sieraden enz. een ander of zichzelf van het lijf doen; afleggen: zijn hoed, ceintuur afdoen ; 2. een deel v. e. geheel wegnemen: de prijs is te hoog, gij kunt er wel iets afdoen, de prijs verminderen; — (zegsw.) een schelm die er iets afdoet, schertsende uitdrukking waarmede...

Lees verder
1937
2022-08-11
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

afdoen

deed af, heeft afgedaan; 1. zich of een ander iets van het lichaam doen: doe je hoed af; een mantel afdoen, afleggen; 2. afnemen, weglaten: stof afdoen, het deksel van de pot afdoen; er geen woord van afdoen; iets van de prijs afdoen; 3. schoonmaken: meubels afdoen; 4. volbrengen, afmaken: zaken afdoen; zijn correspondentie afdoen; 5. voldoen, beta...

Lees verder
1910
2022-08-11
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Afdoen

Afdoen - beslissen, uitmaken, ten einde brengen.

1898
2022-08-11
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Afdoen

AFDOEN (deed af, heeft afgedaan), kledingstukken, sieraden enz. die aan-, om-, voorgedaan of omgeslagen worden, een ander of zich zelven van het lijf doen; afleggen; — zijne broek afdoen, losmaken en op de beenen laten zakken; — de prijs is te hoog, gij kunt er wel iets afdoen, den prijs verminderen; — afnemen, weglaten : er gee...

Lees verder
1898
2022-08-11
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Afdoen

zie Af betalen.