Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Varen

betekenis & definitie

I. v. (-s),

1. exemplaar, individu van de onder 3. genoemde klasse : ik heb bij de bloemist een varen gekocht; op die plek in het bos zagen we een massa varens staan ;
2. soort van de onder 3. genoemde klasse: deze varen is een kosmopoliet; hij heeft veel studie van de varens gemaakt;
3. (mv.) klasse van overblijvende sporendragende planten (Filicinae): de varens in Nederland ;
4. stofn.: de put was met brem en varen bedekt; varen wordt gebruikt als vulsel voor matrassen ; een bed van varen ;
5. (vandaar dicht.) matras, bed: het wicht dat insliep op de varen (Tollens).

II. bn., van varen (I) gemaakt: een varen bedje.

III. A. als ww. (voer, is en heeft gevaren),

I. gaan, zich bewegen;
1. (onoverg.) (veroud., nog bijz. st.) zich (van een plaats naar een andere) bewegen ; zich begeven, gaan: (Zuidn.) waar zou hij varen! waar zou hij blijven ? waar moet hij heen ? ; waar is hij gevaren? waar is hij gebleven ? hoe is het hem vergaan ? ; — ten hemel, ter helle varen; ter ziele varen ; — (van zaken) een alarm van klanken dat over de hele onderneming vaart; — zeer gewoon in laten varen, afzien van ;
2. (onoverg.) in. betr. t. een haastige, plotselinge of krachtige beweging : zich vlug bewegen; lopen, storten, vliegen enz.: een pijl voer hem dwars door de strot; een huivering, siddering (enz.) vaart iem. door ’t gebeente, de leden enz. ; wat was er dan in het kind gevaren, dat zulk een ommekeer kon te weeg brengen ? ; de duivel is in hem gevaren ; — zijn hand vaart uit het dek, hij tast er mee in ’t ronde (Staring);

II. m. betr. t. het zich voortbewegen met wagen en trekdier ;

3. (gew., onoverg.) zich met een kar of wagen van de ene plaats naar de andere begeven, met een kar of wagen rijden: in een koets varen; — hierbij ook gew.: ketelmuziek maken; — (gew.) met iem. varen, een loopje met hem nemen, hem voor de gek houden;
4. (gew., overg.) door middel van paard en wagen vervoeren : de jonge boer heeft karren dampende mest gevaren ;
5. (gew., onoverg.) met een wagen enz. als oud.: zich door de kracht van een trekdier voortbewegen;

III. m. betr. t. reizen of vervoer te water;

6. zich met een vaartuig ergens heen begeven; — (onoverg.) ik heb zo menigmaal in trekschuiten gevaren ; naar Indië varen; — op één kompas varen, (fig.) één enkele, steeds dezelfde richting volgen; — (zegsw.) die scheep is, moet varen, men moet voortgaan met wat men begonnen is; in iemands zog varen, zie bij Zog: — (overg.) ’k heb vele jaren met hem schouw, gevaren (H. de Man); — in wederk. gebruik met een bep. die een toestand uitdrukt waarin men of iets door varen komt: hij heeft zich rijk gevaren ;
7. (onoverg.) zich varende (in de bet. 6.) verwijderen, afvaren, wegvaren : over drie dagen varen we ;
8. (onoverg.) scheepvaart uitoefenen: op de Oost varen;
9. (onoverg.) als varensman, als zeeman dienst doen, een betrekking aan boord bekleden : hij wil gaan varen ; — varen voor, in de hoedanigheid van : voor matroos varen ; (spr.) daar men voor scheep komt, moet men voor varen, men kan niet naar willekeur zijn positie veranderen; — varen als, in de hoedanigheid van: hij vaart als schipper ; — (viss.) op part varen, zie bij Part (I);
10. (overg.) (een vaartuig) met de kracht van zeil, riem of motor door het water bewegen : scheep jes die zonder betaalde krachten gevaren worden; — met een bep. van gesteldheid : een schip lek varen ; (zegsw.) de kooi lek varen, schipper-af geraken, zijn bediening kwijtraken door eigen schuld ;
11. (overg.) per schip of per boot vervoeren : hout, turf varen ; je zal er niet veel vinden die je nou varen willen ; — (zegsw.) wie appelen (enz.) vaart, die appelen eet, men zorgt wel zelf genot te hebben van hetgeen men ten nutte van anderen verricht;
12 (overg.) aan boord hebben: wij varen geen marconist; het schip vaart een dokter ; — (oneig.) hebben : ,,heb je geen lucifer voor mijl” „neen, lucifers vaar ik niet” ;
13. (overg.) met een vaartuig als ond., m. betr. t. zeilen, ra’s enz.: hebben, voeren : het schip voer een ra minder; de jachten der regenboogklasse varen een regenboog in het grootzeil, boven het zeilnummer;
14. (onoverg.) met een vaartuig als ond.: zich met de kracht van riem, zeil of motor door het water bewegen : het schip voer langzaam door het ijs ; de boot is langszij gevaren; — dicht varen, (eig.) varen als een goed gedicht, goed gekalfaterd schip ; veilig varen; (lig.) betrouwbaar zijn ; dicht kunnen varen op iets, staat kunnen maken of zeker kunnen gaan op iets, zich op iets kunnen verlaten ;

onder de Nederlandse, onder vreemde vlag varen; — IV. in andere toepassingen ;

15. (onoverg.) (van delen van het tuig van een schip) glijden over, langs of door; vandaar ook: bevestigd, gespannen, geplaatst zijn; — van rondhouten, zeilen of ankers : de stengen varen tussen de langzalings en door de ezelshoofden; de ankers varen vooruit, aan de boeg ; — van touwwerk ; a. van het lopende want: de vallen varen langs de mast; dubbel, enkel varen ; —b. m. betr. t. het staande want: gespannen, geplaatst zijn : vaart het want op talrepen, dan worden in de ogen van de puttingijzers jufferblokken ingesloten;
16. (onoverg.) m. betr. t. de beweging van lucht en wolken: Merijntje keek naar de varende witte wolken in het hoge hemelblauw ;
17. (onoverg.) (niet alg.) m. betr. t. vogels: vliegen: de varende vogel, die vluchtend op en neer vliegt:
18. (onoverg.) (met een luchtballon) ergens heen vliegen: het varen met ballons; over deze afstand iverd een half uur gevaren;
V. in bet. waarin de gedachte aan een beweging niet meer aanwezig is ;
19. (onoverg.) (met een onpers. ond.) geschieden, plaats hebben, toegaan, gaan : hoe zal dat varen?; ’t zal er hem naar varen, gaan ;
20. (onoverg.) (met een pers. ond.) een bepaald lot ondergaan, iets beleven : we komen vanavond wel eens horen hoe je gevaren bent; — (Zuidn.) zó moet hij varen! dat is zijn verdiende loon : — (Zuidn.) aardig varen, iets vreemds, iets zonderlings beleven ; — goed, beter varen, gelukkig zijn, het goed maken: slecht varen, tegenspoed ondervinden, slecht uitkomen, mislopen enz.: kwalijk met iem. varen, slechte ondervindingen met hem opdoen; — (Zuidn.) ergens of bij iem. goed of slecht varen, er goed of slecht gevaren zijn, er goed, slecht onthaald worden;
21. met beperking tot de teg. tijden steeds in zinnen die een vraag bevatten : het maken, zus of zo gesteld zijn : hoe vaart de koning? — thans uitsluitend bij een begroeting als vraag naar iemands gezondheid: hoe vaar je?
B. als zn. o., vaar werk, lading, vracht van een schip: te koop een best hektjalkschij) met best inventaris en ten dele varen er bij.

IV. (vaarde, heeft gevaard), (Zuidn.) vreemd, onwennig voorkomen, onaangenaam aandoen of treffen: het zal u varen uw dochter kwijt te zijn, het zal u niet meevallen.