Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Lijf

betekenis & definitie

o. (lijven),

1. (veroud.) leven: te lijf, bij lijf zijn, in leven zijn; het lijf wagen; lijf om lijf vechten, man tegen man; zijn lijf wagen;
2. (thans) lichaam: hij stond in zijn blote lijf, geheel zonder kleren; zijn lijf bergen, zich redden; iem. te lijf willen, hem willen slaan; blijf mij van het lijf, blijf van mijn lijf, raak mij niet aan; iem. te lijf komen, iem. aanvallen, hem slaan; iem. op het lijf vallen; iem. tegen ’t lijf lopen; zit op je eigen lijf, hang, leun niet op me; hij zal dat wel uit zijn lijf laten, hij zal wel zo wijs zijn, dat niet te doen; aan den lijve gestraft worden, een lichamelijke straf ondergaan; dat heeft hij aan den lijve gevoeld, ondervonden; iem. een schrik, de dood op het lijf jagen, hem (zeer) doen verschrikken; met lijf en ziel, met al zijn vermogen; — geen hemd aan het lijf hebben, doodarm zijn; iem. het hemd van het lijf vragen, tot in bijzonderheden uithoren; bij levenden lijve zijn, in leven zijn; daar stond hij in levenden lijve voor mij, in persoon, in werkelijkheid; — (fig.) deze zaak heeft niets om het lijf, heeft niets te beduiden; — geen hart in het lijf hebben, geen moed hebben ; — (zeew.) iem. op het lijf komen, rennen, zeilen, op hem afzeilen;
3. romp: de jas sluit nauw om het lijf; — de armen langs het lijf laten hangen, ook fig. werkloos zijn; gezond, recht van lijf en leden;
4. middel: een meisje om het lijf vatten; — (fig.) iem. (bij het lijf) nemen, hem bedriegen; men heeft hem bij het lijf gehad, hem beetgehad;
5. onderlijf, buik: het lijf vol hebben, zijn buik gevuld hebben; pijn in het lijf hebben, buikpijn hebben; — open lijf houden, geregelde stoelgang hebben;
6. baarmoeder: van moeders lijf af, sedert de geboorte; — (van het vee) het lijf is van de koe;
7. endeldarm: iemands lijf gaat uit;
8. kledingstuk, of deel daarvan dat het bovenlijf bedekt: die jas, die japon is wat lang van lijf; — lijfje, zie ald.;
9. (verz.) persoon: geld op drie lijven zetten, op drie hoofden, personen;
10. (bij verg., van voorwerpen) het middengedeelte, het dikste: het lijf van een paal, een zerk, een net, een vlasstengel, een molenas enz.