Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Intrekken

betekenis & definitie

(trok in, heeft en is ingetrokken),

I. onoverg.,
1. binnentrekken (in een stad enz.);
2. bij iem. intrekken, bij hem gaan in wonen ; — een klooster intrekken, in een orde gaan; — 3. indringen in, opgezogen worden door : mors niet met dat zuur, het trekt dadelijk in; de verf moet nog intrekken :
4. krimpen (van hout enz.);

II. overg.,

1. trekkende in-, achteruit, naar binnen brengen, inhalen: de hals intrekken; zijn benen intrekken; de voelhorens intrekken; de staak intrekken, tussen de benen halen; — naar zich toe halen : een draad, een touw intrekken;
2. binnen een ruimte trekken;
3. (milit.) de voorposten, de wacht intrekken, terugroepen zonder die te vervangen;
4. in zich opnemen (enig vocht): vloeipapier trekt de inkt in;
5. (w. g.) nauwer maken; gij hebt dc hals (van enig kledingstuk) niet genoeg ingetrokken; — 6. terugnemen : bankbiljetten intrekken; een voorstel, een verzoek, een aanklacht intrekken; — herroepen, krachteloos verklaren (onderstellende de rechtstreekse tussenkomst der bevoegde macht, of ten minste van een bepaald persoon): een wet, een verordening, een wetsvoorstel intrekken-,een toelage intrekken, niet langer verlenen; — herroepen wat gesproken is : alles wat ik toen gezegd heb, trek ik nu weer in; — ook van een gegeven woord, een belofte.