Wat is de betekenis van intrekken?

2019
2022-12-06
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

intrekken

intrekken - Werkwoord 1. (ov) een eerdere toezegging of regeling ongedaan maken Alle verlof werd ingetrokken. 2. (ov) naar binnen halen Geschrokken trok de slak zijn voelhorentjes in. Woordherkomst samenstelling van in(bijwoord)...

Lees verder
2018
2022-12-06
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

intrekken

intrekken - onregelmatig werkwoord uitspraak: in-trek-ken 1. zeggen dat het anders is dan je eerst gezegd had ♢ hij heeft zijn verklaring weer ingetrokken 1. ergens je intrek nemen [er gaan wonen]...

Lees verder
1973
2022-12-06
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

intrekken

(trok in, heeft en is ingetrokken), Ii. (onoverg.) 1. binnentrekken (in een stad enz.); 2. bij iemand bij iemand gaan inwonen; een klooster —, in een orde gaan; 3. indringen in, opgezogen worden door: mors niet met dat zuur, het trekt dadelijk in; 4. krimpen (van hout enz.); II. (overg.) 1. door trekken iets in-, achteruit, naar binnen...

Lees verder
1952
2022-12-06
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Intrekken

v., ynlûke; (binnengaan), yntsjen; zijn woorden, jins wurden weromlûke.

1950
2022-12-06
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Intrekken

(trok in, heeft en is ingetrokken), I. onoverg., 1. binnentrekken (in een stad enz.); 2. bij iem. intrekken, bij hem gaan in wonen ; — een klooster intrekken, in een orde gaan; — 3. indringen in, opgezogen worden door : mors niet met dat zuur, het trekt dadelijk in; de verf moet nog intrekken : 4. krimpen (van hou...

Lees verder
1937
2022-12-06
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

intrekken

intrekken, trok -,h.,i. ingetrokken (1 naar binnen halen; 2 v. lichaamsdelen: terugtrekken, optrekken; naar zich toe trekken; 3 binnentrekken in een plaats, een stad; 4 een huis betrekken; 5 terugnemen; 6 Z.-N. beuren): 1 de kat kan de nagels intrekken; 2 de staart intrekken; 3 het leger trok de stad in; 4 in een nieuw huis intrekken; bij iem. i...

Lees verder
1930
2022-12-06
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

intrekken

('in) (trok, trokken in; ingetrokken) I. (heeft) 1. naar binnen trekken : de vlag -. 2. terug-, optrekken : de benen, de staart -. → hoorn. 3. vervallen verklaren, opheffen : een besluit, wet -. Syn. → afschaffen. 4. ongeldig verklaren : een wissel -. 5. herroepen : zijn woorden -. II. (is) 1. binnentrekken : een stad -. 2....

Lees verder
1898
2022-12-06
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Intrekken

INTREKKEN, (trok in, heeft en ingetrokken), trekkende inhalen, naar binnentrekken : den hals intrekken; zijne beenen intrekken; de voelhorens intrekken; — naar zich halen : een draad een touw intrekken; — bij iem. intrekken, bij hem gaan inwonen; — een klooster intrekken, in eene orde gaan; — in zich opnemen (eenig vocht)...

Lees verder
1898
2022-12-06
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Intrekken

zie Afschaffen.

1856
2022-12-06
Jacob van Lennep

Zeemans-woordenboek 1856

Intrekken

b.w. - Inhalen, naauwer maken. Dat schip is boven Ingetrokken, (naauwer gemaakt). Zie intrekking.

Lees verder