Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Boel

betekenis & definitie

m. (-en),

1. boedel, inboedel: zijn boel wordt verkocht; hun boeltje wordt op straat gezet; — zijn boeltje pakken, zich (met zijn spullen) uit de voeten maken; — ’t is er een kale boel, ’t huisraad ziet er armoedig uit; bij uitbr. : zij hebben het arm, moeten zich bekrimpen; — (gew.) hij heeft de boel aan de kamer, hij is arm;
2. collect. ben. voor een min of meer ordeloze menigte al of niet bijeenbehorende zaken, soms met ongunstige bet. (rommel), soms eenvoudig als gemeenzame aanduiding voor: de zaken, de dingen: de boel aan kant maken, de kamer opruimen, alles ordelijk op zijn plaats zetten; — de boel door de glazen gooien, bij een ruzie of uit brooddronkenheid, (fig.) drukte, ruzie maken; — (bij) iem. de boel opscheppen, stukslaan (ook) alles in wanorde, in rep en roer brengen, (Zuidn.) hem de waarheid zeggen; — in de zin van rommel: wat een boel met zo’n schoonmaak: alles ligt overhoop; een boel maken, alles overhoop halen; wat een boel is het hier, hoe ligt hier alles overhoop ; een vuile, slordige, smerige boel; — geheel van verwarde of onaangename zaken, voorvallen, toestanden of omstandigheden: laat de hele boel maar waaien, laat alles maar gaan, zoals het wil; ’t is een lamme, vervelende, gekke boel; ’t is een kale, een dooie boel; de boel loopt in ’t honderd, gaat op stelten, loopt in de war, komt in rep en roer ; hij laat de boel de boel, hij doet er niets aan, verandert de zaken niet; — algemene aanduiding van zaken die men reeds vroeger genoemd heeft of als bekend onderstelt: iem. de boel van het lijf scheuren, de kleren; zijn boel bijeenpakken; vgl. koffie-, theeboel; war-, lorren-, jan-, soldatenboel;
3. grote menigte: een boel boeken, mensen (waarbij het ww. in de mv.vorm kan staan);
4. (bw.) (gemeenz.) veel: ik ben een boel beter; vgl. heleboel; — (scherts.) een beetje boel, niet te veel.