Boel
m. (-en), 1. boedel, inboedel: zijn boel wordt verkocht; hun boeltje wordt op straat gezet; — zijn boeltje pakken, zich (met zijn spullen) uit de voeten maken; — ’t is er een kale boel, ’t huisraad ziet er armoedig uit; bij uitbr. : zij hebben het arm, moeten zich bekrimpen; — (gew.) hij...