Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Algemeen

betekenis & definitie

1. bn. en bw.,

1. alle personen (in volstrekte of betrekkelijke opvatting) betreffende, aan allen gemeen, waaraan allen deel hebben: een algemene vergiffenis ; het algemeen belang ; het algemeen welzijn; — een algemene opstand, een opstand der gehele bevolking; — algemeen kies- of stemrecht, het recht van alle staatsburgers om mede te stemmen bij de verkiezing van leden der vertegenwoordiging; — algemene geschiedenis, geschiedenis van alle volken der aarde ; — departement van algemeen bestuur, van het bestuur van de staat in tegenstelling van dat der gewesten en gemeenten; — algemene vergadering (van een genootschap), (jaarlijkse) vergadering waarbij de afdelingen vertegenwoordigd worden ; — de algemene overtuiging, mening, het algemeen gevoelen, door allen gedeeld ; — het algemeen beschaafd (Nederlands) (A.B.N.), de door alle Nederlanders in het maatschappelijk verkeer gebezigde verzorgde taal (in tegenstelling met dialect); — een algemene stilte, van alle aanwezigen; — met algemene stemmen, van alle stemmenden; — een algemeen gesprek, waaraan alle aanwezigen deelnemen ; — de speelwoede is, wordt algemeen, is, wordt aan de meesten eigen ; — de teleurstelling, dc vreugde was algemeen, door allen gevoeld;
2.voor alle bijzondere gevallen geldig, dienstig : een algemene regel, zonder uitzondering; een algemene wet; een algemeen geneesmiddel;
3.het geheel betreffend, niet in bijzonderheden afdalend : algemene begrippen; de algemene beschouwingen over een wet gaan aan de artikelsgewijze behandeling vooraf ;
4. onbepaald, vaag: iem. met algemene beloften afschepen ;
5. bij persoonsnamen een hoedanigheid aanduidend die voor allen geldt: de zonde is de algemene vijandin, staat vijandig tegenover allen; — algemeen erfgenaam, van de gehele nalatenschap; — algemene armen, niet tot bepaalde gezindten behorend ; — algemeen landvoogd, Algemene Staten, met ’t bestuur van ’t gehele land belast;
6.bw. van omstandigheid: men vlagde algemeen, ieder vlagde; — het is algemeen bekend, bij ieder; — deze regel is algemeen geldig, voor alle bijzondere gevallen;
7. bw. van wijze: gij drukt u te algemeen uit, niet bepaald genoeg, niet genoeg in bijzonderheden, of: niet genoeg rekening houdend met afwijkingen.

II.zn. o., g. mv., het geheel van een zaak of voorstelling : in ’t algemeen hebt ge gelijk, als op de bijzondere gevallen niet gelet wordt; — over ’t algemeen leveren de zandgronden niet veel op, doorgaans, meestentijds; alle mensen samen, de hele maatschappij : hij strijdt voor ’t heil van ’t algemeen ; — de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen.

< >