Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Hebben

betekenis & definitie

(heeft, had, heeft gehad),

I. als zelfst. ww.,
1. bezitten: hij heeft een eigen huis; ’t is wel mooi, maar ik zou het toch niet willen hebben; geld hebben, rijk zijn; al iemands hebben en houden, al wat hij bezit; — (zegsw.) hebben is hebben, maar krijgen is de kunst, zalig zijn de bezitters; — gehad is een arm man, die heeft is er beter an, gezegd als iem. hoog opgeeft van iets dat hij vroeger had; — minder als eigendom dan met betr. tot het nut of genoegen dat iets schenkt: de vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten (Matth. 8 : 20); ze hebben een auto ; een club hebben; niets aan zijn voeten hebben, geen schoeisel of kousen ; zij hebben geen eten; ik heb een goede buur aan hem, hij is voor mij een goedebuurman;
2. (zonder gedachte aan eigendom) voorzien zijn van, toegerust zijn met: dat schip heeft drie masten; hij heeft veel haar; — met een praedic. bep.: zij had haar vingers vol ringen;
3. met een pers. als voorw. ter aanduiding van het bestaan van een verwantschapsbetrekking : hij heeft twee zoons; iem. tot vrouw hebben; — een minnaar hebben; — ter aanduiding van een betrekking van heer en knecht enz. : ze hebben twee dienstboden; schapen die geen herder hebben;
4. (van kenmerken, eigenschappen en vermogens) in het subject aanwezig zijn: het schip heeft vier meter diepgang ; hij heeft een scherp gehoor, een lange adem ; — veel van iem. of iets hebben, er veel op lijken; het heeft er veel van dat ..., het ziet er naar uit dat;
5. (van aandoeningen en ondervindingen) bedeeld, gekweld zijn met: pijn hebben ; het land hebben ; het in zijn rug hebben ; het lelijk te pakken hebben; ik heb iets aan mijn voet, daaraan enig ongemak; — heb je ’t of krijg je ’t! vraag aan iem. die zich zonderling aanstelt; — van gewaarwordingen : het koud hebben;
6. (van omstandigheden) er in verkeren, ze ervaren: mooi weer hebben; zorgen hebben; last (van iets) hebben ; — het hebben, in de genoemde toestand verkeren: hij heeft het goed, verkeert in gunstige omstandigheden ; het eenzaam, het te kwaad, het druk hebben ; — zij hebben het kwaad genoeg, een hard lot; — wij hebben het goed met elkaar, kunnen het goed vinden; — kunt ge het nogal hebben!, gevoelt ge u nogal behaaglijk, bevalt het u ? — hoe heb ik het nu! hoe hebben we het nu met elkaar! wat moet ik er nu van denken ?
7. voeren, dragen, voorzien zijn van: een hoed op hebben; geen droge draad meer aan het lijf hebben ; het hart op de tong hebben ; iets bij zich hebben, het met zich dragen; ook: het meegenomen hebben: ik heb geen geld bij mij; soms: als eigenschap hebben: hij heeft een onaangename lucht bij zich; — van wat men innerlijk in zich draagt: geen denkbeeld van iets hebben; — iets hebben, door iets bezwaard -worden, iets. hebben dat ons beklemt of dat wij willen uiten: hij heeft iets, maar hij wil niet zeggen wat; hebt ge nog iets!' (nl. te vragen); — achting voor iem. hebben, gevoelen; pleizier van iets hebben; verdriet hebben; ergens spijt van hebben; — iets tegen iem. (of iets) hebben, hem (of het) om enige reden niet mogen lijden : wat kan hij toch tegen mij hebben!, — ik heb er niets tegen, er geen bezwaar tegen; — geduld hebben, geduldig zijn;
8. bij iem. voorhanden zijn: heb je niet een stukje papier voor me! ze hebben geen brood in huis; — in verzwakte opvatting: mensen, bezoek, logé’s hebben; ik heb nog altijd een boek van u, onder mijn berusting; — ik zou u de brief wel tonen, maar ik heb hem niet hier, hij is niet hier; — van hetgeen tot iem.’s beschikking is : de tijd hebben ; iemands oor hebben;
9. in het genot zijn van: een behoorlijk inkomen hebben; macht, vrijheid, aanspraak (op iets) hebben; het woord hebben; — mag ik dat potlood even van je hebben!, mag ik het even gebruiken ? — vand.: mag ik dat hebben!, mag ik het houden, wil je het mij geven ?
10. deelachtig zijn. door toebedeling of verkrijging, deelachtig worden: hij zal mijn dochter niet hebben, niet tot vrouw krijgen; — iets te leen hebben; — zijn loon weg hebben, zijn loon reeds ontvangen hebben; — ik moet nog een gulden van hem hebben, hij is mij een gulden schuldig ; — ik verdien er weinig mee, maar ik moet het er gelukkig niet van hebben, het is niet de hoofdbron mijner inkomsten, ik moet er niet van leven; — gekregen hebben: die pantoffels heb ik van mijn vrouw ; — van bericht of wetenschap : ik heb het niet uit mijzelf, weet het van anderen; — van wie hebt ge dat! wie heeft het u verteld ? ; hij heeft het uit de eerste hand, zie Hand; — de klok heeft tien, het is tien uur; — hoe laat heb je het!, hoe laat is het op uw horloge; — gehad hebben, gekregen hebben: hij heeft een trap van een paard gehad; ook : al gelezen, behandeld, besproken hebben: die les hebben we al gehad (op school); — moeten hebben wat er bij staat, de straf er voor moeten ondergaan ; — van je familie (je vrienden) moet je ’t maar hebben! iron. zegsw. wanneer men iets onaangenaams van hen ondervindt; — dat heb je er van, dat is wat je er van verwachten kon; — hij heeft heel wat gehad, allerlei verdrietelijks ondervonden;
11. (met versch. ww.) iets willen hebben, begeren, wensen: ik wil hebben, dat je het doet; iets zus of zo (gedaan) willen hebben, verlangen dat het zo geschiedt; — waar wil je me hebben?, waar moet ik gaan zitten ? — nu kom je waar ik je hebben wil, waar ik wil dat ge komt (gezegd als iem. bij een gesprek ingaat op wat de spreker bedoelt) ; — men wil hebben, dat hij vermoord is, men houdt staande, beweert; — iets niet willen hebben, niet verkiezen dat het geschiedt, het niet veroorloven: mijn vader wil het niet hebben;iets kunnen hebben, het kunnen verdragen, velen: dat liegen kan ik niet hebben;

hij kan niet veel hebben, kan weinig sterkedrank verdragen ; (ook) is gauw overstuur; — iets moeten hebben, het verlangen te bezitten: het zijne van iets willen hebben ; — ook: nodig hebben, er niet buiten kunnen: ik moet een nieuwe hoed hebben; — als ruwe wijze om te vragen naar het doel van iemands komst: wat moet je van me) hebben?ik moet er niets van hebben, wil er niets mee te maken hebben ; (ook) ik houd daar helemaal niet van ; — liever hebben, verkieslijke!, aangenamer vinden: ik had liever dat je het niet deed; het liever, liefst, zus of zo, op die manier hebben; wil je koffie, of heb je liever bier?, wil je liever bier drinken? 12. gevolgd door te, met een infinitief ter aanduiding van iets dat door het subject kan of moet, behoort of behoeft gedaan te worden: hij heeft duizend gulden te verteren; hij heeft iets te berichten ; zij heeft een oude moeder op te passen; hij heeft niets meer te zeggen; je hebt alleen maar te luisteren, hoeft alleen —; je hebt te doen wat ik zeg, je moet, bent verplicht het te doen; — wat heb je me ook te stoten?, waarom doe je dat ook ? — jij hebt goed praten, kunt dat licht zeggen ; — geen klagen hebben, niet behoeven te klagen, het niet slecht hebben; — iets nodig, van node hebben (zie Nodig) enz.; — het heeft niets te beduiden, betekent niets; — dagelijks met iem. te doen (of te maken) hebben, dagelijks met hem (moeten) omgaan, zaken met hem hebben ; — met iem. te doen hebben, medelijden met hem hebben; — het op iem. hebben, zie beneden (II); —

13. men heeft, je hebt, er is, er zijn: men heeft zoete appelen en zure ; vlak bij Den Haag heeft men het zeebad Scheveningen; je hebt ook groene druiven; — in opsommingen vaak daar heb je: daar heb je Kees, en Piet, en Willem, die zijn allemaal soldaat geweest; — ook in toepassing op voorvallen : daar zullen we (zul je) het hebben, nu gaat het gebeuren ; daar hebben we het (of het gedonder, het gegooi in de glazen), daar breekt de bom los, daar is het verwachte onheil; — daar heb je het al, daar ziet men reeds de droevige gevolgen; — dat hebben we nog niet gehad, nog niet beleefd; — de hoeveelste hebben we ? welke dag van de maand is het ? ; wanneer hebben we Pasen? — dat heb je wel cens, dat gebeurt wel eens ; dan heb je dat, in zulke omstandigheden komt dat voor;
14. gevat houden, vasthouden: een stok in de hand, een paard bij de toom hebben; vat op iets hebben;ik heb het, ik heb gevonden wat ik zocht; — kip, ik heb je, gezegd als men iem. of iets beetpakt waarnaar men zocht; — van personen: ze hebben de dief, hij is gegrepen ; — een klap van heb ik jou daar, een geduchte klap ; we zullen hem hebben, hem wel vinden, hem nader spreken, hem bestraffen; — daar heb-je hem lelijk mee, hebt ge hem erg mee te pakken, daarmee hindert ge hem zeer; — daar heb ik je, nu heb ik je betrapt op een tegenspraak, fout enz ; — (fig.) God hebbe zijn ziel, neme die in zijn hoede; vgl. liefhebben;
15. behelzen ; te lezen geven: het Frans heeft hier ... ;
16. de goedheid hebben, zo goed zijn; — het mis hebben, zich vergissen (zie Mis);
17. ergens iets aan hebben, er dienst of nut van hebben: doe die prullen maar weg, ik heb -er toch niets aan; wat hebt ge er aan, dat te doen?, welk genoegen, voordeel hebt ge er van, wat geeft het u ?
18. het over iets hebben, er over spreken ;

II. als hulpwerkwoord,

1. ter omschrijving van de volmaakt verleden tijd bij transitieve en subjectieve intransitieve werkwoorden: hij heeft het weggegeven; ik heb hem geslagen; hij had gezwommen; zij hebben gelachen; — (gemeenz.) hoe wou u het gehad hebben?, hoe wenst u dat het gemaakt wordt, gebeurt enz.;
2. in zegsw. waarin alleen het hulpww. is gebleven: het op iem. hebben, nl. het op hem begrepen hebben, hem bedoelen, hem tot voorwerp maken hetzij van vijandschap (Zuidn.) of van achting cn voorkeur; meest met ontkenn.: ik heb het niet op hem, zie hem liever niet, vertrouw hem niet; ik heb het niet op die dingen;aan iets een broertje dood hebben, er een verschrikkelijke hekel aan hebben; — wel heb ik ooit! (nl. zo iets beleefd, gezien enz.), uitroep van grote verwondering; heb je ooit van je leven!