Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 17-01-2019

Substantie

betekenis & definitie

Substantie - (woordelijk : het er onder-staande, en dus ten grondslag liggende) beteekent populair vaak een chemisch-bepaalde stof, soms ook (wanneer subst. = essentie genomen wordt) het wezen, de kern eener zaak. — In de filosofie (metafysika) speelt het begrip s. een groote rol. Dit begint bij Aristoteles. S. is het identieke en blijvende in de wisseling der verschijningen, de „drager” van de eigenschappen, datgene, waaraan deze eigenschappen „inhaereeren”. Wat aan een s. toekomt, van haar gepraediceerd wordt, heet accidens ; een accidens, dat als van een s. onafscheidbaar wordt gedacht, heet attribuut. — Men zag nu vóór het optreden van Kant niet in, dat s. niets anders is dan een begrip, waardoor ons denken eenheid en samenhang brengt in de ruimtelijk-tijdelijke ervaring, n.l. zóó, dat het onzelfstandige en wisselende in de zinnelijke verschijningen betrokken wordt op relatief zelfstandige, als identiek-blijvend geponeerde eenheden (uitgangspunten voor quantitatief bepaalbare dynamische werkingen).

Door het ontbreken van dit kritisch inzicht moest men de s. absoluut maken, hypostaseeren, opvatten als een onafhankelijk „bestaande” werkelijkheid „achter” of „onder” het zinnelijke gegeven. Descartes definieert s. als datgene, wat voor zijn „existeeren” geen ander ding noodig heeft, en zegt, dat dit in strengen zin alleen van God geldt, terwijl hij toch twee „geschapen” substanties, de uitgebreide en denkende (stof en Ik), aanneemt. Voor Spinoza is God de eenige s., en zijn uitgebreidheid en denken (bewustzijn) zijn attributen. Nu volgt een langdurige strijd over de verhouding tusschen de uitgebreide en denkende substantie. Locke neemt wel een s. als diepsten grond aan, maar verklaart haar voor onkenbaar („something I know not what”). Hurne ziet in de s. niets dan een fictie der verbeeldingskracht. — Na Kant krijgt dat begrip s. bij vele wijsgeeren zijn metafysische beteekenis terug.